Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10856

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
C/09/702494 KG ZA 26-343
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevel tot omgang en inzage financiële rekeningen tussen gevolmachtigden van dementerende moeder

In deze zaak staan twee broers tegenover elkaar, beiden als gevolmachtigde van hun moeder die lijdt aan gevorderde dementie. De broers zijn het eens over de wilsonbekwaamheid van hun moeder en handelen op basis van een levenstestament waarin zij beiden als gevolmachtigden zijn benoemd met ruime volmachten.

De procedure betreft geschillen over de omgang met moeder en het beheer van haar vermogen, waarbij de ene broer de volmacht van de ander wilde schorsen en inzage eiste in financiële transacties, met name betalingen aan een materiedeskundige en advocaat. Na eerdere procedures en een vaststellingsovereenkomst zijn de conventionele vorderingen ingetrokken, maar de reconventionele vorderingen deels in stand gebleven.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de omgangsregeling in het belang van moeder is en beveelt dat de broer die de woning beheert de andere broer toestaat haar samen met zijn echtgenote op vaste tijden te bezoeken. Tevens wordt bepaald dat communicatie over deze contactmomenten per e-mail moet verlopen met reactietermijnen. Inzage in de rekening van een specifieke betaling aan de materiedeskundige wordt toegewezen, maar de vordering tot terugbetaling van deze kosten uit eigen middelen wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang en onvoldoende aannemelijkheid.

De proceskosten worden ieder voor eigen rekening genomen en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De voorzieningenrechter beveelt omgangsregeling en inzage in financiële rekeningen, wijst terugbetaling uit eigen middelen af.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/702494 / KG ZA 26-343
Vonnis in kort geding van 7 mei 2026
in de zaak van
[partij A] , in zijn hoedanigheid van gevolmachtigde/wettelijk vertegenwoordiger (in de zin van de WGBO) van zijn moeder, mevrouw drs. [moeder] ,te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. A.J. van Steensel te Den Haag,
tegen:
[partij B] , in zijn hoedanigheid van gevolmachtigde van zijn moeder, mevrouw drs. [moeder] ,te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. drs. M.R. van Leeuwen te Zoetermeer.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [partij A] ’ en ‘ [partij B] ’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 april 2025, met producties 1 tot en met 10;
- de conclusie van antwoord, tevens houdende een eis in reconventie, met producties 1 tot en met 8;
- de op 23 april 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door [partij A] pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Ter zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[partij A] en [partij B] zijn broers. Hun moeder is mevrouw [moeder] , geboren op [geboortedatum] 1925 (hierna: ‘moeder’). Moeder is huurder van de woning aan het [adres] (hierna: ‘de woning’). [partij A] woont bij moeder in de woning en voert vanaf 2016 het beheer over het vermogen van moeder. [partij A] en [partij B] zijn het erover eens dat moeder als gevolg van gevorderde dementie niet meer in staat is om haar wil te bepalen.
2.2.
Bij levenstestament van 2 november 2021 heeft moeder [partij A] en [partij B] met onmiddellijke ingang aangesteld als algemeen gevolmachtigden. Daarbij is bepaald dat [partij A] en [partij B] hun taken als gevolmachtigde ieder afzonderlijk kunnen uitoefenen. Deze algemene volmacht strekt blijkens het levenstestament tot vertegenwoordiging van moeder in alle zaken en alle rechtshandelingen op het gebied van personenrecht, verbintenissenrecht, familierecht, zakenrecht, fiscaal recht, zakenrecht, fiscaal recht, procesrecht en elk ander rechtsgebied. Moeder heeft [partij A] en [partij B] in haar levenstestament eveneens benoemd als gevolmachtigden op medisch gebied vanaf het moment dat zij niet meer volledig in staat is om haar belangen op medisch gebied te behartigen. De gevolmachtigde is op grond van het levenstestament gehouden om jaarlijks rekening en verantwoording af te leggen aan moeder. Als moeder niet meer in staat is om een rekening en verantwoording in ontvangst te nemen, zijn partijen – kort gezegd – gehouden om aan elkaar rekening en verantwoording af te leggen. Tenslotte heeft moeder – voor zover thans van belang – in het levenstestament bepaald dat een gevolmachtigde de onkosten die hij maakt in het kader van de uitoefening van de volmacht bij haar in rekening mag brengen, voor zover die kosten passend zijn. Er mag geen loon in rekening worden gebracht.
2.3.
Partijen hebben in 2023 zowel in privé als in hun hoedanigheid van gevolmachtigde van moeder tegen elkaar in kort geding geprocedeerd. In die procedure beschuldigden [partij A] en [partij B] elkaar over en weer van het maken van misbruik van de bij het levenstestament door moeder verstrekte volmacht en vorderden zij – kort gezegd – beiden om de volmacht van de ander te schorsen. In die procedure hebben [partij A] en [partij B] ter zitting van 24 oktober 2023 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Hierin zijn [partij A] en [partij B] overeengekomen dat moeder door een deskundige op haar wilsbekwaamheid zal worden getest. Verder hebben [partij A] en [partij B] – voor zover thans van belang – in die overeenkomst de volgende afspraken gemaakt:
2.4.
In de onderhavige kortgedingprocedure heeft [partij A] , in zijn hoedanigheid van gevolmachtigde, [partij B] eveneens in die hoedanigheid gedagvaard. [partij A] vorderde in conventie de aan [partij B] verleende volmacht te schorsen en [partij B] te verbieden om gedurende die schorsing enige rechtshandeling namens moeder te verrichten. Daarnaast vorderde [partij A] in conventie een veroordeling van [partij B] tot het verlenen van medewerking aan het benoemen van een tweede bewindvoerder en de aanstelling van mr. Van Steensel als materiedeskundige en tweede gevolmachtigde. [partij B] vorderde in reconventie onder meer een veroordeling van [partij A] tot het afleggen van een deugdelijke en verifieerbare rekening en verantwoording over de jaren 2021 tot en met 2025 en tot het verlenen van medewerking aan het gezamenlijk aanzoeken van een bewindvoerder voor moeder.
2.5.
Ter zitting van 23 april 2026 hebben [partij A] en [partij B] een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin zij de volgende afspraken hebben gemaakt:

3.Het geschil

3.1.
[partij A] heeft ter zitting van 23 april 2026 in het licht van de aldaar tussen partijen gemaakte afspraken zijn vorderingen in conventie, met instemming van [partij B] , ingetrokken. [partij B] heeft op 23 april 2026 zijn vorderingen in reconventie onder 1, 2, 6 en 8 ingetrokken. Partijen hebben ter zitting verzocht om op de overige vorderingen in reconventie vonnis te wijzen.
3.2.
[partij B] vordert na vermindering van zijn eis in reconventie – zakelijk weergegeven – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
[partij A] te veroordelen om direct met [partij B] in contact te treden over de omgang met moeder en daartoe altijd binnen 24 uur te reageren;
[partij A] op straffe van een dwangsom te veroordelen om de omgang tussen [partij B] en moeder ook de in de woning te laten plaatsvinden
[partij A] op straffe van een dwangsom te veroordelen tot het binnen veertien dagen na datum van dit vonnis verschaffen van inzage in de rekeningen die direct dan wel indirect door moeder aan mr. Van Steensel zijn voldaan, zowel voor diens rol als advocaat als die van materiedeskundige dan wel enige andere hoedanigheid;
[partij A] op straffe van een dwangsom te veroordelen om binnen 21 dagen na datum van dit vonnis uit eigen middelen alle kosten die direct of indirect vanaf de rekening van moeder aan mr. Van Steensel of aan diens kantoor zijn voldaan tegen behoorlijk bewijs van kwijting uit eigen middelen aan die rekening terug te betalen;
[partij A] in privé te veroordelen in de proceskosten.
3.3.
Daartoe voert [partij B] – samengevat – het volgende aan. [partij A] frustreert het contact tussen hem en moeder doordat hij hem niet in de woning toelaat. [partij B] stelt dat hij moeder slechts eenmaal per week mag meenemen voor een kop koffie of lunch buiten de deur. Volgens [partij B] is moeder hiervoor eigenlijk te zwak, reden waarom [partij B] zijn moeder ook in de woning wil kunnen bezoeken, hetgeen volgens [partij B] in het belang van moeder is. [partij B] stelt daarnaast dat [partij A] rechtstreeks contact met hem weigert, waardoor het lastig is om inlichtingen over moeder te verkrijgen. Daarbij is het [partij B] met name te doen om het verkrijgen van inzicht in de medische status van moeder. [partij A] voert volgens [partij B] juridische procedures met het doel om hem verder buiten te sluiten. Die procedures zijn volgens [partij B] niet in het belang van moeder en de daarmee gemoeide kosten mogen om die reden niet van haar rekening worden voldaan. In dat verband wijst [partij B] erop dat [partij A] in ieder geval de op 24 oktober 2023 gemaakte afspraak schendt om bij uitgaven boven € 1.000,-- met elkaar in overleg te treden. Volgens [partij B] is al een rekening van mr. Van Steensel van € 9.075,-- van de rekening van moeder voldaan. Voor zover de aan mr. Van Steensel gedane betalingen betrekking hebben op diens werkzaamheden als materiedeskundige, geldt volgens [partij B] dat mr. Van Steensel niet objectief is en dat hij evenmin voldoende geëquipeerd is voor het verrichten van die werkzaamheden. [partij A] dient volgens [partij B] de aan mr. Van Steensel en/of diens kantoor betaalde bedragen uit eigen middelen terug te betalen.
3.4.
[partij A] voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
[partij A] stelt zich op het standpunt dat [partij B] in zijn vorderingen in reconventie onder 1 en 2 niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Daartoe stelt [partij A] dat het contact en de omgang met moeder privékwesties tussen partijen betreffen. Vorderingen over deze kwesties kunnen volgens [partij A] dan ook uitsluitend door hen in privé respectievelijk tegen hen in privé worden ingesteld. Voor vorderingen over privékwesties is naar de mening van [partij A] in deze kortgedingprocedure geen plaats, aangezien partijen hierin optreden in hun hoedanigheid van gevolmachtigde van moeder krachtens het levenstestament.
4.2.
De voorzieningenrechter volgt [partij A] in dit standpunt niet. Moeder heeft in haar levenstestament aan beide partijen een algemene volmacht verstrekt. Partijen zijn op grond van deze volmacht bevoegd om de belangen van moeder in de ruimste zin van het woord te behartigen. Niet ter discussie staat dat het in beginsel in het belang van moeder is om contact te hebben met haar beide zoons. Beide partijen zijn dan ook krachtens de aan hen verstrekte volmacht gehouden om dit belang van moeder te behartigen, hetgeen betekent dat zij elkaar ook in rechte kunnen aanspreken op het niet dan wel op onjuiste wijze behartigen van dit belang. [partij B] stelt dat [partij A] niet in het belang van moeder handelt door niet rechtstreeks met hem in contact te treden over omgang met moeder en door het moeder niet toe te staan om met hem in de woning contact te hebben. De daarop betrekking hebbende vorderingen raken daarmee aan de uitvoering door [partij A] van zijn volmacht en zijn door [partij B] ingesteld in zijn hoedanigheid van gevolmachtigde. Dit betekent dat [partij B] in die vorderingen kan worden ontvangen.
4.3.
Beide vorderingen zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter toewijsbaar. Daartoe is van belang dat [partij A] niet heeft doen blijken van feiten en/of omstandigheden waaruit volgt dat contact tussen [partij B] en moeder in de woning niet in het belang is van moeder. [partij A] heeft aangevoerd dat [partij B] zich ten overstaan van zijn kinderen negatief over hem heeft uitgelaten en dat hij [partij B] daarom niet meer in zijn huis wil hebben. Die stelling kan [partij A] niet baten. De enkele omstandigheid dat [partij A] en [partij B] niet meer door één deur kunnen, laat immers het belang van moeder bij contact met [partij B] onverlet. Gesteld noch gebleken is immers dat tussen [partij B] en moeder sprake is van een verslechterde verstandhouding. Integendeel, [partij A] erkent dat [partij B] moeder wekelijks buitenshuis ziet. Daar komt bij dat [partij A] de woning ten onrechte aanmerkt als zijn huis, terwijl vaststaat dat (uitsluitend) moeder hiervan huurder is en het haar dus vrijstaat om daar bezoek te ontvangen. Het betoog van [partij A] dat moeder last zal hebben van de spanningen tussen partijen en dat zij vanwege haar leeftijd en kwetsbare toestand gebaat is bij contactmomenten die gestructureerd, rustig en prikkelarm verlopen, vormt evenmin een grond om moeder rechtstreeks contact met [partij B] in de woning te onthouden. Gelet op het feit dat moeder inmiddels 24 uurs-thuiszorg ontvangt en er dus altijd een zorgverlener in de woning is die [partij B] toegang tot de woning kan verschaffen, behoeft er tijdens contactmoment tussen [partij B] en moeder in de woning geen interactie tussen de beide broers plaats te vinden. [partij A] en [partij B] hebben ter zitting besproken op welke dagen en tijdstippen bezoek van [partij B] in het leefschema van moeder zou passen. Er zal, in lijn daarmee, bepaald worden dat [partij B] samen met zijn echtgenote moeder elke dinsdag en donderdag van 13.00 tot 14.00 uur in de woning kan bezoeken. [partij B] zal op straffe van een dwangsom worden veroordeeld om deze contactmomenten te gehengen en te gedogen. Communicatie over deze contactmomenten zal tussen partijen per e-mail plaatsvinden. Verhinderingen van moeder op voormelde tijdstippen, bijvoorbeeld vanwege andere belangrijke (medische) afspraken, dienen minimaal 24 uur tevoren per e-mail door [partij A] aan [partij B] te worden medegedeeld. [partij A] is gehouden binnen 24 uur op e-mailberichten van [partij B] betreffende de omgang met moeder te reageren. Nu [partij B] uitsluitend vordert om [partij A] te verplichten om met hem in contact te treden over de omgang met moeder, kan er in dit kort geding niet – zoals [partij B] blijkens randnummer 55 van zijn conclusie van antwoord/eis in reconventie mede beoogt – tevens een voorziening worden getroffen waarmee [partij B] inzage verkrijgt in de medische status van moeder. De voorzieningenrechter geeft partijen wel in overweging om – zoals ter zitting al aan de orde kwam – ervoor te zorgen dat [partij B] eveneens contactpersoon wordt bij het ziekenhuis en de andere instellingen waar moeder wordt verpleegd, behandeld of verzorgd. Op die manier wordt gewaarborgd dat partijen in toekomst gelijktijdig over dezelfde medische informatie kunnen beschikken.
4.4.
De vordering van [partij B] om [partij A] te veroordelen om inzage te verschaffen in de rekeningen die direct dan wel indirect door moeder aan mr. Van Steensel zijn voldaan, is slechts toewijsbaar voor zover het de rekening/declaratie betreft die ten grondslag ligt aan het op 29 maart 2026 van de rekening van moeder naar de rekening van het kantoor van mr. Van Steensel overgemaakte bedrag van € 9.075,--. [partij A] heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat er behoudens dit bedrag sinds oktober 2023 geen nota’s meer van mr. Van Steensel zijn ontvangen. [partij B] heeft vervolgens op zijn beurt dit standpunt van [partij A] niet gemotiveerd weerlegd. Daarbij komt dat voor zover er opnieuw betalingen aan mr. Van Steensel of aan diens kantoor worden gedaan vanaf een rekening van moeder, de partij die zo’n betaling verricht op grond van het levenstestament gehouden is om ter zake rekening en verantwoording af te leggen aan de andere partij. Bepaald zal worden dat [partij A] de desbetreffende rekening/declaratie binnen 21 dagen na datum van dit vonnis aan [partij B] dient te verstrekken. Deze veroordeling zal met een dwangsom worden versterkt.
4.5.
Daarmee resteert de vordering van [partij B] om [partij A] te veroordelen om alle kosten die vanaf de rekening van moeder direct of indirect aan mr. Van Steensel of diens kantoor zijn voldaan uit eigen middelen terug te betalen. Die vordering is in dit kort geding niet toewijsbaar. Volgens vaste jurisprudentie is ten aanzien van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid geboden. Onderzocht moet worden of het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is. Dat betekent dat met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moet zijn dat de bodemrechter haar zal toewijzen. Daarnaast moet sprake zijn van feiten of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Voorts dient in de afweging van de belangen van partijen het restitutierisico betrokken te worden. [partij B] heeft in de eerste plaats niet aannemelijk gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij deze vordering. Daarnaast kan in het beperkte bestek van deze procedure niet worden vastgesteld dat een bodemrechter zal oordelen dat aan mr. Van Steensel en/of diens kantoor vanaf de rekening van moeder kosten zijn voldaan voor werkzaamheden die niet – zoals [partij B] stelt en [partij A] heeft weersproken – (mede) in het belang van moeder zijn verricht.
4.6.
In de familierechtelijke aard van dit geschil, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in reconventie:
5.1.
veroordeelt [partij A] om te gehengen en te gedogen dat [partij B] moeder samen met zijn echtgenote elke dinsdag en donderdag van 13.00 tot 14.00 uur in de woning bezoekt;
5.2.
bepaalt dat [partij A] een dwangsom verbeurt van € 500,-- voor ieder contactmoment als bedoeld onder 5.1. dat door zijn toedoen zonder gegronde reden niet kan plaatsvinden, zulks met een maximum van € 25.000,--;
5.3.
veroordeelt [partij A] om in voorkomende gevallen rechtstreeks per e-mail met [partij B] over de contactmomenten met moeder te communiceren, hetgeen concreet betekent dat a) verhinderingen van moeder op de hiervoor bepaalde tijdstippen minimaal 24 uur tevoren per e-mail door [partij A] aan [partij B] moeten worden medegedeeld en b) [partij A] gehouden is om binnen 24 uur op e-mailberichten van [partij B] betreffende de omgang met moeder te reageren;
5.4.
veroordeelt [partij A] om binnen 21 dagen na datum van dit vonnis aan [partij B] te verstrekken de rekening/declaratie die ten grondslag ligt aan het op 29 maart 2026 vanaf de rekening van moeder aan het kantoor van mr. Van Steensel betaalde bedrag van € 9.075,--;
5.5.
bepaalt dat [partij A] een dwangsom verbeurt van € 250,-- voor iedere dag dat hij niet aan de veroordeling onder 5.4 voldoet, zulks met een maximum van € 5.000,--;
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.8.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026.
mw