ECLI:NL:RBDHA:2026:1086
Rechtbank Den Haag
- Vereenvoudigde behandeling
- Rechtspraak.nl
Kennelijk niet-ontvankelijk beroep asielaanvraag wegens ontbreken beroepsgronden
In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, op 26 januari 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende een asielaanvraag. De eiser, van Marokkaanse nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie had echter besloten om deze aanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk was voor de aanvraag. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser tegen deze beslissing.
De rechtbank heeft vastgesteld dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat eiser in zijn beroepschrift geen gronden heeft vermeld. Eiser was verzocht om dit verzuim te herstellen, maar heeft binnen de gestelde termijn geen beroepsgronden ingediend. De rechtbank legt uit dat het essentieel is om in het beroepschrift de specifieke punten te vermelden waartegen men in beroep gaat. Het niet tijdig vermelden van deze gronden leidt tot niet-ontvankelijkheid van het beroep.
De rechtbank concludeert dat er geen verontschuldiging is voor het verzuim van eiser, en dat het beroep daarom niet inhoudelijk kan worden beoordeeld. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk, waardoor het bestreden besluit van de minister in stand blijft. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen hebben de mogelijkheid om binnen zes weken een verzetschrift in te dienen als zij het niet eens zijn met deze uitspraak.