Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10877

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
C/09/699550 KG ZA 26-162
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 382 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming beschikking hof over verdeling en taxatie woning in Marokko

De man en vrouw zijn gescheiden en het gerechtshof Den Haag heeft in 2024 bepaald dat de woning in Marokko onderdeel is van de huwelijksgemeenschap en verdeeld moet worden. De vrouw weigert echter medewerking aan de verkoop, stellende dat de woning op naam van hun dochter staat en zij geen eigenaar is.

De man vordert in kort geding dat de vrouw de beschikking van het hof nakomt, waaronder het voorstellen van makelaars, het laten taxeren en het meewerken aan verkoop. De vrouw voert verweer dat de woning rechtsgeldig aan de dochter is geschonken en dat de beschikking herroepen moet worden wegens bedrog, wat niet aannemelijk is.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de vrouw voorshands aannemelijk heeft gemaakt dat de woning op naam van de dochter staat, waardoor zij niet kan meewerken aan verkoop. De vordering tot medewerking aan verkoop wordt daarom afgewezen. Wel wordt de vrouw veroordeeld om binnen twee weken drie makelaars voor te dragen en binnen vier weken samen met de man opdracht te geven tot taxatie, met dwangsommen bij niet-nakoming.

Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: De vrouw wordt veroordeeld tot het voordragen van makelaars en het gezamenlijk laten taxeren van de woning, maar niet tot medewerking aan verkoop vanwege het ontbreken van beschikkingsmacht.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/699550 KG ZA 26-162
Vonnis in kort geding van 8 april 2026
in de zaak van
[de man]te [woonplaats 1] ,
eiser,
advocaat: mr. R.G. Groen,
tegen:
[de vrouw]te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
procederend in persoon, met gemachtigde: C. Aneq.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de man’ en ‘de vrouw’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 februari 2026 met producties 1 tot en met 9;
- de brieven van de gemachtigde van de vrouw van 25 februari 2026, 2 en 3 maart 2026 met respectievelijk 14, 10 en 13 bijlagen;
- de brief van de man van 23 maart 2026 met producties 10 tot en met 12;
- de e-mail van de gemachtigde van de vrouw van 23 maart 2026 met producties 14 tot en met 24.
1.2.
De mondelinge behandeling vond plaats op 4 maart 2026, zonder dat de vrouw daarbij aanwezig was. Op 24 maart 2026 is de zaak mondeling behandeld in aanwezigheid van de man en zijn advocaat en de vrouw en haar gemachtigde. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
De man en de vrouw zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij tussenbeschikking van het gerechtshof Den Haag van 6 december 2023 is de echtscheiding tussen de man en de vrouw uitgesproken en zijn partijen, voor zover hier van belang, in de gelegenheid gesteld hun actuele standpunten ten aanzien van de nevenvoorzieningen uiteen te zetten onder overlegging van bewijsstukken.
2.2.
Op 11 september 2024 heeft het gerechtshof Den Haag in deze zaak eindbeschikking gewezen (zaaknummer: 200.308.148/01). Daarin is, voor zover relevant, als volgt overwogen:
“2.14 Het hof oordeelt als volgt. Zoals in rechtsoverweging 2.12 is overwogen, is het Nederlands huwelijksvermogensrecht op de verdeling van toepassing. Op grond van het Nederlands huwelijksvermogensrecht valt de woning in [plaats] , hoewel de woning op naam van de vrouw staat, wel in de te verdelen huwelijksgemeenschap. Op grond van hetgeen ter zitting is aangevoerd en de stukken die zijn overgelegd, is verder niet gebleken dat de woning in [plaats] rechtsgeldig is overgegaan op de dochter van partijen. De vrouw heeft onvoldoende gesteld waaruit blijkt dat de woning in [plaats] niet in de gemeenschap valt, daarnaast blijkt uit de door de man in geding gebrachte verklaring van deponering geen rechtsgeldige overdracht aan de dochter, zoals door de vrouw gesteld.
2.15
Gezien het feit dat de woning in [plaats] in de gemeenschap valt, zal deze moeten worden verdeeld. Over de toedeling, dan wel verdeling zijn partijen het oneens. huidige waarde van de woning zijn partijen het oneens. Het hof zal de verdeling van de woning in [plaats] (Marokko) als volgt gelasten:
[…]
6. De beslissing
Het hof:
[…]
gelast de verdeling van de woning te [plaats] , Marokko als volgt:
-
de vrouw dient binnen twee weken na heden drie in Marokko gevestigde makelaars aan de man voor te stellen. De man zal vervolgens binnen een week uit deze drie makelaars een makelaar kiezen die de woning zal taxeren;
-
partijen zullen uiterlijk binnen vier weken na heden gezamenlijk aan de gekozen makelaar de opdracht verstrekken om de woning te laten taxeren. Beide partijen dienen in de gelegenheid te worden gesteld om daarbij aanwezig te zijn. Deze taxatie van de makelaar is bindend tussen partijen;
-
vervolgens dient de woning in [plaats] te worden verkocht, waarbij ieder van partijen gerechtigd is tot de helft van de (na aftrek van onder andere de taxatiekosten) resterende overwaarde, dan wel dat partijen ieder de helft van een eventuele restschuld dienen te dragen.”
2.3.
Op 3 en 17 november 2025 heeft de man de vrouw bericht dat de verdeling van de woning te [plaats] (hierna: de woning) nog niet heeft plaatsgevonden en dat de verdeling alsnog moet worden uitgevoerd. Op 18 november 2025 heeft de man de vrouw verzocht om drie in Marokko gevestigde makelaars voor te stellen.
2.4.
Op 23 november 2025 heeft de vrouw de man, voor zover relevant, als volgt bericht:
“Voor de goede orde wil ik u meedelen dat de woning in [plaats] niet tot mijn vermogen of inboedel behoort en dat ik geen eigenaar ben. Ik ben daarom niet bevoegd om makelaars voor te stellen, een taxatieopdracht te verstrekken of stappen te zetten richting verkoop. […] Het oordeel van het Hof in de beschikking komt niet overeen met de feitelijke eigendomssituatie, waardoor uitvoering hiervan voor mij niet mogelijk is. Ik win hierover juridisch advies in en zal hierop terugkomen zodra er duidelijkheid is.”
2.5.
De man heeft de vrouw vervolgens medegedeeld dat de beschikking van het gerechtshof Den Haag in rechte vaststaat en dat de vrouw gehouden is om uitvoering te geven aan de uitspraak.
2.6.
Op 17 februari 2026 is de gemachtigde van de vrouw naar Marokko, een dochter van partijen, afgereisd om bewijsstukken te verzamelen dat de vrouw niet de eigenaar van de woning is.

3.Het geschil

3.1.
De man vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
de vrouw veroordeelt om binnen vijf dagen na betekening van het vonnis aan de man drie in Marokko gevestigde makelaars voor te stellen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag of dagdeel dat zij daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 7.500,-;
bepaalt dat de man binnen zeven dagen na ontvangst van de drie makelaars gerechtigd is één van hen te kiezen;
de vrouw veroordeelt om binnen vier weken na de keuze voor een makelaar door de man gezamenlijk met de man opdracht te verstrekken aan deze makelaar tot taxatie van de woning, waarbij beide partijen in de gelegenheid worden gesteld aanwezig te zijn, onder de bepaling dat de taxatie bindend is tussen partijen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag of dagdeel dat zij daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 7.500,-;
de vrouw veroordeelt om op eerste verzoek (i) de verkoopopdracht aan de makelaar te ondertekenen en (ii) alle handelingen te verrichten die redelijkerwijs nodig zijn om tot verkoop en levering van de woning te komen, zulks ten aanzien van beide veroordelingen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag of dagdeel dat zij daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 7.500,-;
bepaalt dat ieder van partijen gerechtigd is tot de helft van de (na aftrek van onder andere de taxatiekosten) resterende overwaarde, dan wel dat partijen ieder de helft van een eventuele restschuld dienen te dragen;
Subsidiair
de vrouw veroordeelt om binnen één week na betekening van het vonnis de beschikking van het hof Den Haag van 11 september 2024 (zaaknummer: 200.308.148/01), voor zover het betreft de in die beschikking gelaste verdeling van de woning, na te komen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag of dagdeel dat zij daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 7.500,-;
Primair en subsidiair
de vrouw te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
De man legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat het gerechtshof in de beschikking van 11 september 2024 heeft geoordeeld dat de woning in de gemeenschap valt en door partijen aan een derde verkocht moet worden. De beschikking waarin de verdeling van de woning is gelast, is onherroepelijk geworden. De vrouw handelt volgens de man onrechtmatig door niet te voldoen aan de beschikking. Verder is volgens de man geen sprake van een rechtsgeldige schenking van de woning aan de dochter, omdat hij daarvoor nooit toestemming heeft verleend.
3.3.
De vrouw voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van de man in de proceskosten. Het verweer van de vrouw wordt hierna, voor zover nodig, besproken.

4.De beoordeling van het geschil

Spoedeisend belang
4.1.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt het spoedeisend belang uit de aard van de vorderingen van de man.
Het bezwaar tegen de door de vrouw ingediende producties
4.2.
De vrouw heeft voorafgaand aan de eerste zitting op 24 februari 2026, 2 en 3 maart 2026 diverse producties ingediend. Op 23 maart 2026, kort voor de tweede zitting, heeft de vrouw nogmaals producties ingediend. De man heeft bezwaar gemaakt tegen alle door de vrouw ingediende producties. Volgens de man bestonden de producties al ruime tijd en had de vrouw de producties in de eerdere procedure bij het gerechtshof moeten indienen. Daarnaast bevatten de producties geen nieuwe informatie en zijn ze te laat ingediend, aldus de man. De man stelt zich daarom op het standpunt dat de door de vrouw ingediende producties buiten beschouwing moeten worden gelaten. Hoewel de vrouw de producties eerder had kunnen indienen en de op 23 maart 2026 ingediende producties, gezien de voorschriften opgenomen in het toepasselijke procesreglement, strikt genomen enkele minuten te laat zijn ingediend, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om deze producties buiten beschouwing te laten. De man heeft ter zitting gemotiveerd en inhoudelijk op de stukken gereageerd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de man gelet daarop niet in enig redelijk belang geschaad indien de door de vrouw ingediende producties onderdeel uitmaken van het procesdossier. De voorzieningenrechter zal daarom (ook) acht slaan op deze producties.
De beschikking van het gerechtshof moet worden nagekomen
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat de beschikking van het gerechtshof van 11 september 2024 onherroepelijk is geworden. De vrouw stelt echter zich op het standpunt dat de beschikking van het gerechtshof van 11 september 2024 herroepen moet worden en niet in stand kan blijven, omdat sprake is van bedrog vanwege onjuiste verklaringen van de man over de gang van zaken rondom de schenking van de woning. In de kern stelt de vrouw dat de man destijds toestemming heeft gegeven om de woning te schenken aan zijn kinderen, onder wie de dochter op wier naam het huis nu staat. De man betwist dit en meent dat een herroepingsprocedure geen enkele kans van slagen heeft.
4.4.
Herroeping van een uitspraak kan blijkens artikel 382 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) plaatsvinden als de uitspraak berust op bedrog dat door de wederpartij in de procedure is gepleegd, of op stukken waarvan de valsheid na de uitspraak is erkend of bij gewijsde is vastgesteld, of indien een partij na de uitspraak stukken in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij zijn achtergehouden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in deze procedure voorshands niet aannemelijk geworden dat aan een van deze gronden is voldaan. Daar komt bij dat de vrouw (nog) geen herroepingsprocedure is gestart. Het uitgangspunt is dan ook dat partijen de beschikking van het gerechtshof moeten nakomen.
De verkoop van de woning
4.5.
Het gerechtshof heeft in de beschikking van 11 september 2024 geoordeeld dat de woning in [plaats] in de huwelijksgemeenschap valt en verdeeld moet worden. Op grond van hetgeen in de hoger beroepsprocedure ter zitting is aangevoerd en de daarin overgelegde stukken, is volgens het gerechtshof niet gebleken dat de woning in [plaats] rechtsgeldig is overgegaan op de dochter van partijen. De vrouw betoogt echter in dit kort geding dat zij geen eigenaar van de woning is en daarom niet kan meewerken aan verkoop van de woning aan een derde. De vrouw stelt dat de woning door haar, met goedkeuring van de man, aan de dochter van partijen geschonken. Zij verwijst daarbij naar diverse Marokkaanse documenten waaruit volgens haar blijkt dat de woning officieel eigendom is van de dochter. De man beroept zich op de onherroepelijke beschikking van het gerechtshof en betoogt dat de woning in de gemeenschap valt.
4.6.
Ter onderbouwing van haar standpunt heeft de vrouw beëdigde vertalingen van (i) een notariële schenkingsakte van 2 januari 2019, (ii) een kadastraal uittreksel van de historische eigendomssituatie van de woning en (iii) een eigendomsattest van de woning overgelegd. Deze documenten zijn niet overgelegd in de procedure bij het gerechtshof. In de documenten staat dat de woning op 2 januari 2019 door de vrouw aan de dochter van partijen is geschonken en dat de woning op naam van de dochter van partijen staat. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de vrouw daarmee voorshands aannemelijk gemaakt dat de woning thans op naam van de dochter van partijen staat. De man heeft dat op zichzelf ook niet betwist.
4.7.
Uit vaste rechtspraak volgt dat een veroordeling tot nakoming van een verbintenis door de schuldenaar moet afstuiten op de onmogelijkheid voor de schuldenaar om die verbintenis na te komen, onverminderd het recht op schadevergoeding dat wegens de niet-nakoming aan de schuldeiser kan toekomen. Dit is niet anders indien de schuldenaar zichzelf in de toestand heeft gebracht dat nakoming voor haar onmogelijk is geworden, zoals wanneer de schuldenaar door eigen toedoen niet meer de beschikkingsmacht heeft over de zaken die het voorwerp zijn van de verbintenis. In dit geval heeft de vrouw voorshands voldoende aannemelijk gemaakt dat de woning op naam van de dochter staat, zodat de vrouw geen uitvoering zal kunnen geven aan de door de man gevorderde veroordeling tot het verlenen van medewerking aan de verkoop van de woning. Die omstandigheid staat in de weg aan toewijzing van de vorderingen, ook al is de beschikking van het gerechtshof onherroepelijk geworden en ook als het zo zou zijn dat hieraan geen geldige titel ten grondslag ligt (zoals de man stelt en de vrouw betwist).
4.8.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vrouw thans geen uitvoering kan geven aan de gevorderde veroordeling tot het verlenen van medewerking aan de verkoop van de woning en verdeling van de opbrengst daarvan, zodat de vrouw daartoe niet kan worden veroordeeld. Daarom worden de vorderingen van de man die hierop zien afgewezen.
Partijen moeten de woning laten taxeren
4.9.
De man heeft, kort samengevat, ook gevorderd dat de vrouw drie in Marokko gevestigde makelaars moet voordragen, waarna de man één makelaar mag kiezen aan wie partijen vervolgens opdracht moeten geven om de woning te taxeren, onder de bepaling dat de taxatie bindend is tussen partijen, op straffe van dwangsommen. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat zij ook hieraan niet kan voldoen, omdat de woning niet meer op haar naam staat, maar daarin gaat de voorzieningenrechter niet mee. De primaire vorderingen onder a, b en c zullen dan ook worden toegewezen zoals hierna vermeld. Hoewel voorshands aannemelijk is dat de vrouw de woning momenteel niet kan verkopen en overdragen aan een derde, valt zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet in te zien dat het onmogelijk voor partijen is om de woning te laten taxeren, zoals de vrouw stelt. De vrouw wordt ook niet gevolgd in haar betoog dat zij geen makelaars kan aanwijzen omdat het feitelijk niet mogelijk is om via het internet makelaars te vinden en zij dus naar Marokko moet afreizen, hetgeen voor haar op korte termijn niet mogelijk is. Het komt de voorzieningenrechter niet aannemelijk voor dat het voor de vrouw niet mogelijk is om op korte termijn drie in Marokko gevestigde makelaars voor te dragen. De vrouw heeft ter zitting verklaard dat zij over een netwerk in Marokko beschikt waar zij al eerder een beroep op heeft gedaan en daarnaast acht de voorzieningenrechter het standpunt dat de vrouw naar Marokko moet afreizen om drie namen te noemen voorshands niet overtuigend. De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding om de vrouw een ruimere termijn te geven dan zoals door de man is gevorderd en zal de vrouw twee weken de tijd geven. In de eindbeschikking van het gerechtshof is al uitgemaakt dat de taxatie van de makelaar bindend is tussen partijen. Bij de daartoe strekkende vordering heeft de man daarom geen belang. In zoverre zal de vordering van de man worden afgewezen.
4.10.
Vanwege het feit dat de vrouw tot op heden heeft geweigerd om uitvoering te geven aan de beschikking van het gerechtshof, acht de voorzieningenrechter oplegging van dwangsommen, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissingen, aangewezen. De op te leggen dwangsommen worden gematigd en gemaximeerd.
Proceskosten
4.11.
In de omstandigheid dat partijen gewezen echtelieden zijn, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt de vrouw om binnen twee weken na betekening van het vonnis aan de man drie in Marokko gevestigde makelaars voor te dragen om de woning te [plaats] , Marokko, te laten taxeren;
5.2.
bepaalt dat de vrouw bij niet nakoming van het in 5.1 bepaalde een dwangsom verbeurt van € 100,- per dag, tot een maximum van € 7.500,-;
5.3.
bepaalt dat de man binnen zeven dagen nadat de vrouw drie in Marokko gevestigde makelaars heeft voorgedragen gerechtigd is één van deze makelaars te kiezen om de woning te laten taxeren;
5.4.
veroordeelt de vrouw om binnen vier weken na de keuze voor een makelaar door de man gezamenlijk met de man aan deze makelaar de opdracht tot taxatie van de woning te [plaats] , Marokko, te verstrekken, waarbij beide partijen in de gelegenheid worden gesteld daarbij aanwezig te zijn;
5.5.
bepaalt dat de vrouw bij niet nakoming van het in 5.4 bepaalde een dwangsom verbeurt van € 100,- per dag, tot een maximum van € 7.500,-;
5.6.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.8.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.
3556