ECLI:NL:RBDHA:2026:10880
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing ontruiming huurders en gehengen en gedogen door eigenaar woning
De eigenaar van een woning vorderde in kort geding de ontruiming van huurders die de woning via een derde, de verhuurder, bewonen. De verhuurder, die de woning met toestemming van de eigenaar had verbouwd en verhuurd, trad op als tussenkomende partij. De rechtbank oordeelde dat de verhuurder mogelijk bevoegd was de woning te verhuren, gelet op langdurige gedragingen en afspraken binnen de familie, bevestigd door een schriftelijke verklaring van familieleden.
De voorzieningenrechter stelde dat ontruiming in kort geding slechts kan worden toegewezen indien de bodemrechter dit ook waarschijnlijk zal doen en een belangenafweging dit rechtvaardigt. Gezien het feit dat de huurders met minderjarige kinderen in de woning wonen en het vinden van alternatieve huisvesting moeilijk is, woog het belang van de huurders zwaarder dan dat van de eigenaar.
De rechtbank wees de ontruimingsvordering af en veroordeelde de eigenaar in de proceskosten van de huurders. Tevens werd de eigenaar bevolen te gehengen en gedogen dat de huurders in de woning blijven wonen en de huur aan de verhuurder blijven betalen totdat in de bodemprocedure anders wordt beslist. De vordering tot het verbod om de huurders te hinderen werd afgewezen wegens gebrek aan bewijs van hinder.
De uitspraak benadrukt het belang van de feitelijke situatie, de langdurige gedragingen en de belangenafweging bij spoedeisende ontruimingsvorderingen in kort geding.
Uitkomst: De vordering tot ontruiming van de huurders wordt afgewezen en de eigenaar moet gehengen en gedogen dat de huurders blijven wonen en huur betalen aan de verhuurder totdat de bodemprocedure is afgerond.