Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10883

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
C/09/701809 KG ZA 26-297
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 6:82 lid 2 BWArt. 6:271 BWArt. 6:277 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering betaling voorschot en schadevergoeding bij gebrekkige dakopbouw en bouwstop

Op 17 augustus 2021 werd eiser eigenaar van een woning. In 2023 sloten eiser en gedaagde een mondelinge aannemingsovereenkomst voor het ophogen van de zolderverdieping. Op 26 juni 2023 legde de Omgevingsdienst een bouwstop op wegens het ontbreken van een omgevingsvergunning. De welstandscommissie oordeelde dat het bouwplan niet aan redelijke eisen voldeed.

Eiser wijzigde het bouwplan op advies van onderaannemers van gedaagde, wat leidde tot een vergunningplichtig plan dat niet werd goedgekeurd. Hierdoor moest het werk worden afgebroken en opnieuw uitgevoerd conform het bestemmingsplan. Eiser stelde gedaagde aansprakelijk voor de schade en vorderde betaling van een voorschot van €71.784,75.

De voorzieningenrechter oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat gedaagde aansprakelijk was voor de schade en dat de ontbinding van de aannemingsovereenkomst niet rechtsgeldig was verklaard. Ook was onduidelijk welke schadeposten toewijsbaar waren. De vorderingen werden afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Vordering tot betaling voorschot en schadevergoeding wegens bouwstop en gebrekkige dakopbouw wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/701809 KG ZA 26-297
Vonnis in kort geding van 30 april 2026
in de zaak van
[eiser]te [woonplaats],
eiser,
advocaat: mr. V. Kortenbach,
tegen:
[gedaagde] B.V.te [vestigingsplaats],
gedaagde,
advocaat: mr. P.H.M. Heering.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 maart 2026 met producties 1 tot en met 9;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 8;
- de door [eiser] overgelegde producties 10 en 11;
- de brief van [eiser] van 6 april 2026 met producties 12 tot en met 15.
1.2.
De mondelinge behandeling vond plaats op 7 april 2026. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op 28 april 2026 en nader op heden.

2.De feiten

2.1.
Op 17 augustus 2021 zijn [eiser] en zijn echtgenote eigenaar geworden van de woning aan het [adres] te [plaats] (hierna: de woning).
2.2.
In het voorjaar van 2023 hebben [eiser] en [gedaagde] met betrekking tot de woning een mondelinge aannemingsovereenkomst gesloten. Deze had, in elk geval, betrekking op het – kort gezegd – ophogen van de zolderverdieping van de woning.
2.3.
Op 26 juni 2023 heeft de Omgevingsdienst Midden-Holland (hierna: ODMH) een bouwstop opgelegd wegens het ontbreken van de benodigde omgevingsvergunning. In de brief van de ODMH van 27 juni 2023 is onder meer het volgende opgenomen:
“Wij hebben de vergroting en de dakkapellen getoetst aan de regels voor vergunningvrij bouwen van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor). Uit die toetsing volgt dat de vergroting en de dakkapellen niet vergunningsvrij zijn.”
2.4.
[eiser] heeft vervolgens een vergunningaanvraag ingediend, voorzien van de vereiste door een bouwkundige en architect vervaardigde bouwtekeningen.
2.5.
Op 7 november 2023 heeft de welstandscommissie van de [gemeente] advies uitgebracht over de door [eiser] ingediende aanvraag tot het ophogen van de nok en het plaatsen van twee dakkapellen in het bovenste dakvlak van de kap op de woning. Dit houdt onder meer in:
Conclusie: het plan voldoet niet aan redelijke eisen van welstand
Motivering
De reeds geplaatste dakkapellen hoog in de kap domineren in ernstige mate de kapvorm en het silhouet van de woning. Op een mansarde kap zijn alleen dakkapellen mogelijk wanneer ze in het onderste dakvlak geplaatst worden en aansluiten op de knik. De voorgestelde nokverhoging is wel akkoord
Is er sprake van een exces? Er is sprake van een ernstige aantasting van de totale dakvorm. Op basis hiervan, en van bovenstaande motivering, kan er met stelligheid worden verklaard worden dat er sprake is van een exces.”
2.6.
[eiser] heeft geen omgevingsvergunning verkregen voor de door [gedaagde] gerealiseerde dakopbouw inclusief dakkapellen.
2.7.
Op 30 januari 2024 heeft CED Nederland B.V. (hierna: CED) in opdracht van (de verzekeraar van) [eiser] een visueel onderzoek in de woning uitgevoerd naar de aard, oorzaak en omvang van de vermeende gebreken aan het door [gedaagde] geleverde werk. Op 19 april 2024 heeft CED een rapport uitgebracht.
2.8.
Bij e-mail van 24 mei 2024 heeft [eiser] [naam 1], de directeur van [gedaagde], als volgt bericht:
[eiser] wilt snel en vergunningsvrij verbouwen en wilt daarom met 0 afwijkingen van het bestemmingsplan aan de slag.
Om dit te realiseren moet onderstaande gebeuren.
De opdracht was:
- De nok van het dak moet worden verhoogd naar 9 meter vanaf de begane grond.
- De bestaande dakgoten moeten omhoog naar 6 meter hoog vanaf de begane grond.
- Alle vormen zoals bestaande pand origineel is gebouwd blijft behouden, de mansardekap vormen, type metsel stenen, voegen etc.
Bovenstaande maten en voor de uitvoer van deze (initiele) opdracht heeft [eiser] zelf onderzoek gedaan door oa: contact te hebben met de gemeente en omgevingsdienst.
Ook zouden de volgende werkzaamheden gebeuren
- Alle kozijnen rondom van de eerste etage zaten op 20/25 cm vanaf de vloer en worden dezelfde kozijnen opnieuw ingemetseld naar wettelijke doorval hoogte woningen.
- De oude dakramen worden terug geplaatst.
- Metselwerk rondom het pand moet omhoog gemetseld worden om het verhoogde dak weer sluitend te maken.
- Hergebruiken bestaande dakpannen.
Afgesproken prijs voor bovenstaande werkzaamheden was € 30.000,- en de afspraak meerwerk op nacalculatie wel zou dit vooraf kenbaar gemaakt worden en zouden hier betalingsafspraken over worden gemaakt.
Op 8 mei is de initiële opdracht veranderd door [gedaagde].
De reden dat er is afgeweken van de opdracht is omdat [naam 2] en [naam 3] voorgesteld door [naam 1] aan [eiser] als voormannen van [gedaagde] B.V. en feitelijk onderaannemer van [gedaagde] B.V. [naam 1] en [eiser] ervan hebben overtuigd dat wij het bestemmingsplan verkeerd hebben geïnterpreteerd. Volgens [naam 2] had de Hogeraad daar iets over gezegd, tenminste dat had hij gelezen in een Arrest, en moeten wij dat anders doen. Uiteindelijk hebben zij op eigen initiatief de opdracht aangepast naar een lagere dak met dakkapellen. De hoogte van het nieuwe dak zoals zij die hadden uitgetekend zou het juiste zijn.
[eiser] heeft na een kort overleg met [naam 1] en [naam 2] het advies van [gedaagde] gevolgd en is er afgesproken dat het krap past binnen budget € 30.000,- exclusief nieuwe kozijnen en glas. (Hier heeft [gedaagde] een fout gemaakt, en zou er ook een meerprijs moeten komen voor het branden van het platte dak en is dit niet gecommuniceerd.)
In juni 2023 is er een bouwstop opgelegd door de gemeente. De reden was dat de verbouwing in strijd was met het bestemmingsplan, de nok moest verder omhoog, de dakkapellen waren op de verkeerde hoogte ingebracht. Uiteindelijk heeft de [gemeente] [eiser] gesommeerd alles wat er gebouwd is af te breken en toestemming gegeven om opnieuw te verbouwen maar wel conform bestemmingsplan.
[eiser] heeft [naam 1] in de gelegenheid gesteld om de verbouwing weer op te pakken toen de bouwstop is opgeheven en we rond waren met de gemeente en verder mochten, maar heeft [naam 1] dit bedankt omdat hij dacht dat ik de boel wil afbreken omdat hij het niet mooi zou vinden en de meerprijs van nog te plaatsen kozijnen niet wilde betalen. De boodschap van [naam 1] is toen ook geweest zijn openstaande rekeningen te betalen en opzoek te gaan naar een andere aannemer.
Feit was dat de Gemeente de afwijkingen conform bestemmingsplan niet wilde legaliseren. [eiser] heeft hier wel alle mogelijke moetie voor genomen en heeft architecten ingeschakeld dit te doen. Dit is niet gelukt.
Uiteindelijk heeft [eiser] een andere aannemer ingeschakeld omdat wat er was gebouwd tot illegaal was verklaard door de gemeente, en als [eiser] het niet zou verwijderen en terug bouwen het geen wel mocht, [eiser] een boete riskeerde van de gemeente, en de gemeente het door een ander zou laten uitvoeren.
[naam 1] is het eens dat [eiser] niet verantwoordelijk kan zijn voor de schade van verkeerd advies door zijn team, indien het team van [gedaagde] had uitgevoerd wat er was gevraagd was er niks aan de hand geweest.
Verder erkent [naam 1] dat zoals het gebouw nu is gebouwd door de nieuwe aannemer de intiele opdracht was van [eiser] aan [gedaagde] B.V.
[…]
1. [gedaagde] B.V. heeft verzaakt bij het aangeven van meerwerk. [naam 1] en [eiser] hadden een Gentle agreement van 30K. Als het meer zou worden zou dat eerst besproken worden en zou dat op nacalculatie betaald worden. Bij het veranderen van de opdracht was aangegeven dat het zou passen binnen huidige budget exclusief de kozijnen van de dakkapellen.
Dat we ver boven budget gingen was pas bekend toen ik [eiser] aan de bel trok voor duidelijkheid.
Feitelijk de opdracht zoals initieel verzocht door [eiser] aan [naam 1]. Nok naar 9 meter, dakgoten naar buiten 6 meter en dakvormen (Mansardekap) identiek zoals het pand was.
2. [naam 1] crediteert alle openstaande facturen.
3. [naam 1] geeft aan dat voor de overige veroorzaakte schade hij met zijn verzekering en onderaannemers om de tafel gaat hoe [eiser] te compenseren.
Deze schades betreft:
- Gederfde huurinkomsten door dubbele woonlasten
- waterschade waardoor er schimmel is ontstaan en het complete plafond moet worden vervangen van het souterrain en de begane grond., en de muren moeten worden behandeld.
- steigerhuur
- Zinkendakgoten die omhoog zouden worden geplaatst maar zijn afgebroken.
- Herstel werkzaamheden metselwerk 1e etage.
- Materiaal en betaalde kosten.
- Kosten architect om gewijzigde plannen te laten legaliseren gedurende de bouwstop.
- Juridische kosten
- en het overige volgens Das.
4. [naam 1] heeft zelf in persoon geconstateerd dat de door hem geleverde materialen niet zijn hergebruikt.”
2.9.
Per e-mail van 25 mei 2024 aan [eiser] heeft [naam 1] namens [gedaagde] als volgt gereageerd:
“Bedankt voor je bericht,
Alles wat we hebben besproken staat hier goed in weergegeven.
Ik zie de overeenkomst van DAS graag tegemoet,
Hierna zal ik de onderaannemers in samenspraak met mijn rechtsbijstand benaderen.”
2.10.
Op 27 mei 2024 heeft [eiser] [gedaagde] per e-mail aansprakelijk gesteld voor zijn schade.
2.11.
[eiser] heeft de door [gedaagde] gerealiseerde dakopbouw met dakkapellen in 2024 door [bedrijfsnaam] laten verwijderen. [eiser] heeft [bedrijfsnaam] vervolgens opdracht gegeven om zijn initiële opdracht – het verhogen van de nok en dakgoten met behoud van de vormen – uit te voeren.
2.12.
Op 4 februari 2026 heeft Propendum in opdracht van [eiser] een bouwkundige inspectie uitgevoerd naar aanleiding van de door [bedrijfsnaam] uitgevoerde werkzaamheden. De bevindingen van Propendum zijn in een rapport van 4 april 2026 neergelegd. In het rapport valt, kort samengevat, te lezen dat de constructie van de woning aanzienlijk doorbuigt en dat sprake is van een onveilige situatie. Daarnaast is sprake van een aantal andere gebreken, zoals het ontbreken van waterkerende folies. Volgens het rapport van Propendum moet de gehele woning constructief opnieuw worden opgebouwd waarbij de binnenzijde van de woning geheel gestript moet worden. De herstelkosten bedragen volgens Propendum € 303.817,61 inclusief btw.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 71.784,75, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding;
II. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van betekening.
3.2.
Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. [eiser] is met [gedaagde] overeengekomen dat [gedaagde] voor de aanneemsom van € 30.000 inclusief btw, de zolderverdieping c.q. mansarde kap zou verhogen met gebruikmaking van de oude materialen. Meer specifiek is afgesproken, dat de nok en de dakgoten van het dak (conform het bestemmingsplan) zouden worden verhoogd naar 9 respectievelijk 6 meter, gerekend vanaf de begane grond, en dat daarna de oude dakramen en kozijnen zouden worden teruggeplaatst. Dit betrof een vergunningsvrije verbouwing. Kort nadat de werkzaamheden zijn begonnen, hebben de twee onderaannemers van [gedaagde] gesteld dat het oorspronkelijke bouwplan in strijd met het bestemmingsplan was en geadviseerd dit plan aan te passen en dakkapellen te plaatsen. [gedaagde] heeft [eiser] geadviseerd dit advies op te volgen. Vervolgens is het verbouwingsplan hierop aangepast. Het werk is vervolgens (deels) door [gedaagde] gebouwd, totdat een bouwstop is opgelegd vanwege de dakkapellen. Vervolgens is gebleken dat de verbouwing wel degelijk vergunningsplichtig was en dat [eiser] geen vergunning voor het gerealiseerde werk kon krijgen, waardoor [eiser] gedwongen werd om het door [gedaagde] gerealiseerde werk af te breken en de initiële opdracht alsnog te laten uitvoeren. [gedaagde] heeft geweigerd het werk af te breken en de herstelwerkzaamheden uit te voeren, waardoor [gedaagde] in verzuim is geraakt. Daarnaast is [gedaagde] in verzuim geraakt omdat [eiser] [gedaagde] ex artikel 6:82 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) aansprakelijk heeft gesteld op 27 mei 2024. [eiser] heeft een vordering van € 86.527,94 + PM. De totale vordering valt uiteen in drie categorieën. Ten eerste een bedrag van € 22.984,39 aan door [eiser] betaalde aanneemsommen waarop [eiser] op grond van de verbintenis tot ongedaanmaking (artikel 6:271 BW Pro) aanspraak maakt. Ten tweede een bedrag van € 61.758,80, bestaande uit een vijftal schadeposten: (1) € 18.219,14 in verband met kosten voor de (mislukte) legalisatie en het herstel, (2) € 1.787,17 in verband met kosten voor het deskundigenonderzoek van CED, (3) € 9.816,50 in verband met kosten voor de steigerbouw, (4) € 16.314 in verband met kosten voor verblijf elders c.q. gederfde huur, en (5) € 15.661,99 in verband met waterschade. [eiser] doet in dit kader beroep op artikel 6:74 BW Pro en artikel 6:277 BW Pro. Ten derde een bedrag van € 1.784,75 aan buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] vordert betaling van een voorschot van € 70.000 plus de buitengerechtelijke incassokosten over dit bedrag, in totaal € 71.784,75.
3.3.
[gedaagde] voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
[eiser] vordert betaling van een geldsom. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eisende partij op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de voorzieningenrechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.
4.2.
[eiser] vordert in deze procedure betaling van een aantal schadeposten. Deze worden hierna besproken.
€ 22.984,39 (en andere posten?) wegens verbintenis tot ongedaanmaking
4.3.
[eiser] heeft een bedrag van € 22.984,39 aan [gedaagde] betaald in verband met het realiseren van de dakopbouw. [eiser] stelt dat hij de aannemingsovereenkomst met [gedaagde] rechtsgeldig heeft ontbonden en dat [gedaagde] als gevolg daarvan gehouden is tot ongedaanmaking van de ontvangen betaling, dus tot terugbetaling van genoemd bedrag.
4.4.
[gedaagde] heeft er naar voorshands oordeel terecht op gewezen dat uit niets blijkt dat [eiser] de aannemingsovereenkomst (buitengerechtelijk) heeft ontbonden. Desgevraagd heeft de advocaat van [eiser] ter zitting verklaard dat de aannemingsovereenkomst is ontbonden met de dagvaarding, maar in de dagvaarding is geen ontbindingsverklaring te lezen. Reeds daarop strandt dit onderdeel van de vordering van [eiser]. Voor zover [eiser] de gestelde ontbinding tevens aan de overige gevorderde schadeposten ten grondslag heeft gelegd, geldt dat toewijzing daarvan niet op de gestelde ontbinding kan worden gebaseerd.
Schade ten gevolge van realiseren onjuist ontwerp
4.5.
[eiser] verwijt [gedaagde] dat het oorspronkelijke, vergunningsvrije, bouwplan op advies van [gedaagde] is gewijzigd naar een bouwplan dat wél vergunningplichtig was en waarvoor door de gemeente geen vergunning is verleend zodat het moest worden afgebroken. Partijen twisten over de vraag of de dakkappellen – die de directe aanleiding zijn geweest voor de door de ODMH opgelegde bouwstop en het afbreken van het door [gedaagde] gerealiseerde werk – onderdeel waren van de initiële opdracht van [eiser] aan [gedaagde]. In de conclusie van antwoord en ter zitting heeft de advocaat van [gedaagde] betoogd dat de dakkappellen onderdeel waren van de initiële opdracht van [eiser], althans dat [eiser] deze aanpassing zelf heeft geïnitieerd. [gedaagde] stelt zich daarom op het standpunt dat de tekortkoming niet aan haar kan worden toegerekend. Uit de hiervoor onder r.o. 2.8 en 2.9 weergegeven e-mailcorrespondentie van 24 en 25 mei 2024 blijkt echter het tegendeel. [gedaagde] heeft daarin erkend dat [eiser] de initiële opdracht zonder dakkapellen pas na het advies van (de onderaannemers van) [gedaagde] heeft gewijzigd naar de opdracht met de dakkappellen. Verder heeft [gedaagde] erkend dat het door (de onderaannemers van) [gedaagde] geadviseerde werk niet gelegaliseerd kon worden, terwijl de initiële opdracht van [eiser] – het werk dat uiteindelijk is gerealiseerd – wel is toegestaan door de gemeente. [gedaagde] heeft in de e-mails van 24 en 25 mei 2024 ook bevestigd dat het werk dat nu is gebouwd door [bedrijfsnaam] de initiële opdracht was van [eiser] aan [gedaagde] en dat er niets aan de hand was geweest indien [gedaagde] de initiële opdracht had uitgevoerd.
4.6.
[eiser] gaat er vervolgens vanuit dat deze gang van zaken meebrengt dat [gedaagde] gehouden is alle schade die [eiser] als gevolg van de wijziging van het bouwplan heeft geleden (kosten mislukte legalisering opbouw en herstel, steigerbouw en verblijf elders/huurderving), te vergoeden. [gedaagde] betwist dat dit het geval is. Naar voorshands oordeel is in het beperkte bestek van deze procedure niet met voldoende mate van zekerheid vast te stellen of, en zo ja tot welke bedragen, [gedaagde] volgens de bodemrechter gehouden is deze kosten te vergoeden. [eiser] heeft kennelijk, voordat hij de aannemingsovereenkomst met [gedaagde] heeft gesloten, zelf onderzoek verricht/laten verrichten naar de vraag of er vergunningsvrij gebouwd kon worden en daar kwam kennelijk zijn oorspronkelijke bouwplan uit. Vervolgens is hij, zo begrijpt de voorzieningenrechter, binnen een dag akkoord gegaan met een geheel ander bouwplan met dakkapellen. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] het voorstel van (de onderaannemers van) [gedaagde] zelf nog heeft getoetst, terwijl de vraag of een omgevingsvergunning vereist is, naar voorlopig oordeel niet tot de kerncompetenties van een aannemer behoort. De discussie hierover dient plaats te vinden in de bodemprocedure. Op dit moment valt niet uit te sluiten dat in een bodemprocedure mogelijk (een deel) eigen schuld van [eiser] aan de verandering van het bouwplan kan worden aangenomen. Daar komt nog bij dat [eiser] ter onderbouwing van de gevorderde “kosten (mislukte) legalisering illegale opbouw en het herstel” een reeks facturen van een architect en een constructeur/bouwkundige heeft overgelegd, maar deze niet heeft voorzien van een concrete toelichting. Zonder deze toelichting is onvoldoende duidelijk of de gefactureerde werkzaamheden (uitsluitend) betrekking hebben op de poging van [eiser] om het bouwsel van [gedaagde] gelegaliseerd te krijgen (en niet een ander ontwerp) en op de vergunningsaanvraag voor het alsnog realiseren van het oorspronkelijke ontwerp. Voorstelbaar is bovendien dat voor dat oorspronkelijke ontwerp al veel eerder tekeningen waren gemaakt die konden worden gebruikt voor de nieuwe aanvraag, maar (ook) dat is verder niet toegelicht. Ten aanzien van de post “kosten steigerbouw” van € 9.816,50 geldt bovendien dat [eiser] ter zitting heeft verklaard dat hij niet met [gedaagde] heeft afgestemd dat hij gedurende de bouwstop de door hemzelf gehuurde steigers liet staan. Dat de bodemrechter bij die stand van zaken zal oordelen dat [gedaagde] de (volledige) kosten voor die steigers moet vergoeden, lijkt voorshands niet aannemelijk.
Vochtschade
4.7.
[eiser] vordert tevens vergoeding van water- en vochtschade ad € 15.661,99. Hij stelt dat deze is opgetreden tussen 1 juli 2023 en 1 januari 2024, maar heeft in de dagvaarding verder niet toegelicht welke gestelde fouten van [gedaagde] tot de gestelde schade hebben geleid, terwijl dit wel op zijn weg had gelegen. Kennelijk is tussen partijen in geschil wat de oorzaak is van opgetreden vochtschade aan de woning en aan wie deze toe te rekenen is. Ter zitting hebben partijen elkaar ter zake, onvoldoende onderbouwde, verwijten gemaakt. Zonder nadere bewijslevering, waarvoor in deze procedure geen plaats is, valt niet te beoordelen of in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat [gedaagde] ter zake van deze gestelde schade aan [eiser] enige vergoeding dient te betalen. Dit betekent dat dit ook onderdeel van de vordering niet toewijsbaar is.
Kosten CED-rapport
4.8.
Ook de vraag wie de kosten voor het door CED uitgevoerde onderzoek naar gebreken in de door [gedaagde] vervaardigde opbouw dient te dragen, hoort thuis in de bodemprocedure. In het beperkte bestek van dit kort geding wordt ook ten aanzien van deze door [gedaagde] gemotiveerd betwiste vordering de hoge lat voor toewijzing van een geldvordering niet gehaald.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.9.
Nu de hoofdvordering (betaling van een voorschot van € 70.000) wordt afgewezen, bestaat er ook geen grond voor toewijzing van de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.
Conclusie
4.10.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen.
Proceskosten
4.11.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht € 3.083
- salaris advocaat € 760
- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 4.032

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde], begroot op € 4.032, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.
3556