Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10893

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
SGR 24/3640
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 3.1.1 Parapluplan Parkeren KrimpenerwaardArt. 3.1.2 Parapluplan Parkeren KrimpenerwaardArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen omgevingsvergunning voor appartementen en commerciële ruimte wegens parkeernorm

De zaak betreft een beroep van eisers tegen het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard vanwege de verlening van een omgevingsvergunning voor de bouw van twee appartementen en een commerciële ruimte op een locatie in Krimpenerwaard. Eisers betogen dat de parkeerbehoefte onjuist is berekend en dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd.

De rechtbank oordeelt dat het college de vergunning terecht heeft verleend. De berekening van de parkeerbehoefte is gebaseerd op een advies van Empaction en een herzien advies na bezwaar, waarin is vastgesteld dat vijf parkeerplaatsen op eigen terrein voldoende zijn. De door eisers overgelegde herberekening van Circum, die een hogere parkeerbehoefte aangeeft, wordt niet gevolgd vanwege gebrek aan onderbouwing en strijd met de procesorde.

Verder is het motiveringsgebrek over de toelichting van de bruto vloeroppervlakte gepasseerd op grond van artikel 6:22 Awb Pro, omdat eisers hierdoor niet zijn benadeeld. Ook is geen onderzoek naar parkeerdruk in de openbare ruimte nodig, omdat voldaan wordt aan de parkeernorm op eigen terrein.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar eisers krijgen een schadevergoeding van in totaal €1.500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep. Daarnaast worden griffierecht en proceskosten aan eisers toegekend. De rechtbank wijst erop dat hoger beroep mogelijk is bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard, maar eisers krijgen een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/3640

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats 1] , eisers,

(gemachtigde: mr. drs. J.M. Lammers)
en

het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard,

(gemachtigde: mr. A.D. Bouwman).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij], uit [woonplaats 2] , vergunninghoudster
(gemachtigde: mr. M.P. Smal).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een door het college verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van twee appartementen en een commerciële ruimte op de locatie [adres 1] . Eisers zijn het niet eens met verlening van de omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe aan dat de parkeerbehoefte van de vergunde bouw onjuist is bepaald en dat het bestreden besluit op een aantal onderdelen onvoldoende is gemotiveerd. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Eisers krijgen daarom geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Wel wordt het verzoek van eisers om schadevergoeding in verband met de te lange duur van de procedure toegekend en krijgen zij een vergoeding van het betaalde griffierecht en hun proceskosten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het primaire besluit van 2 december 2022 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van twee appartementen en commerciële ruimte op de locatie [adres 1] . Daarbij is voor wat betreft de minimale afstand van het gebouw tot de erfgrens afgeweken van het bestemmingsplan ‘Dorpskernen’. het bouwplan tot de erfgrens afgeweken van het bestemmingsplan ‘
2.1.
Met het besluit van 29 maart 2024 heeft het college het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en dit besluit gehandhaafd (het bestreden besluit).
2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van vergunninghoudster. Het beroep is gelijktijdig behandeld met het beroep met zaaknummer SGR 23/8062.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 15 april 2022 heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend voor de omgevingsvergunning. Op het perceel rust volgens het bestemmingsplan ‘Dorpskernen’ de enkelbestemming ‘Centrum’. Verder rust op het perceel de gebiedsaanduiding ‘overige zone – parkeren’ als bedoeld in het Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard (Parapluplan). Artikel 3.1.1 van het Parapluplan schrijft voor dat, indien de omvang of de functie van een gebouw, een bouwwerk of een terrein daartoe aanleiding geeft, er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein moet zijn.
3.1.
Onderdeel van de aanvraag om een omgevingsvergunning is een notitie van ‘Empaction parkeerprofessionals’ (Empaction) van 17 oktober 2022. In deze notitie wordt geconcludeerd dat met het realiseren van vijf parkeerplaatsen op het achtergelegen terrein wordt voorzien in de extra parkeervraag vanwege de vergunde bouw. Het aan het de verleende omgevingsvergunning ten grondslag gelegde positieve advies verkeer van 10 november 2022 gaat uit van een zelfde aantal benodigde extra parkeerplaatsen:
“Vanuit de huidige normering zullen er (2 x 2,1) + (0,85 x 3,55) = 7,75 = 8 parkeerplaats gerealiseerd moeten worden. Er is echter sprake van dubbelgebruik waardoor er maar 7 parkeerplaatsen nodig zijn. Ook zijn er twee parkeerplaatsen in de openbare ruimte die bij de oude bestemming hoorde. Hierdoor hoeven er maar 5 parkeerplaatsen gerealiseerd te worden. Deze komen achter het pand. Vanuit verkeer dan ook geen negatief advies.”Op basis van deze adviezen stelt het college vast dat het plan voldoet aan de regels van het Parapluplan.
3.2.
In bezwaar hebben eisers een door ‘Circum parkeeradvies’ (Circum) opgestelde herberekening van de parkeerbehoefte van 23 januari 2023 overgelegd. Volgens dat advies zijn drie parkeerplaatsen meer nodig ten opzichte van de berekening van Empaction.
3.3.
In het advies van de Commissie bezwaarschriften is overwogen dat een nieuwe berekening van de door de commerciële ruimte gegenereerde parkeerbehoefte noodzakelijk is, omdat de bruto oppervlakte daarvan meer is dan de 85 m2 waarvan bij de vergunningverlening is uitgegaan. Naar aanleiding van het advies van de Commissie bezwaarschriften is een herzien advies verkeer opgesteld, gedateerd 26 maart 2024. In dat met het bestreden besluit overgenomen advies wordt uitgegaan van een bruto vloeroppervlak van 110,4 m2 aan commerciële ruimte. Ook in dit herziene advies is de conclusie dat er afgerond vijf parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd moeten worden.
Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
4.1.
Omdat de aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 15 april 2022, blijft de Wabo van toepassing.
4.2.
De toepasselijke wettelijke regels staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Staat het relativiteitsvereiste in de weg aan een geslaagd beroep op een eventuele schending van de parkeernorm?
5. Het college heeft op zitting betoogd dat eisers zich vanwege het relativiteitsvereiste niet met vrucht kunnen beroepen op een eventuele schending van de parkeernorm als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Parapluplan. Volgens het college strekt die norm niet tot bescherming van hun belangen, aangezien eisers een straat verderop wonen en door een eventueel tekort aan parkeerplaatsen op het eigen terrein van de vergunde bouw niet in hun belangen worden geraakt.
5.1.
De rechtbank volgt het college niet in dit betoog. Eisers wonen aan de [adres 2] . De [straat 1] loopt parallel aan de [straat 2] en blijkens het besprokene op zitting is de rijafstand met de auto tussen de [adres 1] en de [straat 1] ongeveer 170 meter. Die afstand is naar het oordeel van de rechtbank niet zo ruim dat op voorhand kan worden uitgesloten dat eisers parkeeroverlast zouden kunnen ondervinden als gevolg van het vergunde bouwplan. Indien voor het bouwplan – zoals eisers betogen – meer parkeerplaatsen op eigen terrein zijn benodigd dan waarvan het college is uitgegaan, is immers op voorhand niet uit te sluiten dat dit tot meer verkeersbewegingen en parkeerdruk in de [straat 1] kan leiden.
5.2.
De rechtbank zal daarom overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van wat eisers in dit beroep hebben aangevoerd over de parkeernorm.
Is het bestreden besluit toereikend gemotiveerd op het punt van de parkeerbehoefte?
6. Eisers betogen dat het college ten onrechte is uitgaan van een parkeerbehoefte van vijf plaatsen. Dat zouden er volgens eisers acht moeten zijn, waartoe zij verwijzen naar de herberekening van Circum dat zij in bezwaar hebben overgelegd. Volgens eisers is in het bestreden besluit niet gereageerd op de door eisers naar voren gebrachte omstandigheid dat de bouwtekening bij de aanvraag een bruto vloeroppervlak van 157 m² vermeldt, terwijl het college bij de berekening van de parkeergelegenheid is uitgegaan van een bruto vloeroppervlak van 110 m². Verder is volgens eisers geen onderbouwing gegeven van dubbelgebruik, zijn aanwezigheidspercentages niet onderbouwd en is geen onderzoek verricht naar parkeerdruk in de omgeving. Op zitting hebben eisers erop gewezen dat Circum ook in beroep advies heeft uitgebracht in de vorm van een e-mail aan hun gemachtigde. Die e-mail is niet overlegd, maar volgens de gemachtigde van eiser wel verwerkt in de door hem op zitting overgelegde en voorgedragen pleitnota.
6.1.
Het college betwist dat in het bestreden besluit onvoldoende zou zijn gereageerd op door eisers geplaatste kanttekeningen bij de parkeerberekening. Over de bij de berekening van de parkeerbehoefte gehanteerde bruto vloeroppervlak van 110,4 m² heeft het college ter zitting toegelicht dat die oppervlakte alleen betrekking heeft op de ruimte die wordt gebruikt voor commerciële ruimte, minus de ruimte van de bergingen. De juistheid daarvan is door eisers niet betwist. De rechtbank ziet daarom geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college niet had mogen afgaan op deze bij de parkeerberekening gehanteerde oppervlakte. Omdat deze toelichting niet is opgenomen in het bestreden besluit, is in zoverre sprake van een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren, omdat aannemelijk is dat eisers hierdoor niet zijn benadeeld.
6.2.
De rechtbank overweegt verder dat in het bestreden besluit – door het daarin overnemen van het advies van de Commissie bezwaarschriften – wordt verwezen naar de notitie van Empaction, waarin aanwezigheidspercentages afkomstig uit de CROW-publicatie 381 zijn gehanteerd bij het bepalen van mogelijk dubbelgebruik van parkeerplaatsen. De rechtbank kan het college daarom volgen in het standpunt dat in het bestreden besluit wel degelijk een onderbouwing is gegeven van aanwezigheidspercentages en het dubbelgebruik. In de in bezwaar overgelegde herberekening van Circum wordt gesteld dat bij dubbelgebruik van parkeerplaatsen in de openbare ruimte niet kan worden volstaan met een verwijzing naar theoretische modellen van de CROW, maar waarom dat niet mogelijk is wordt niet toegelicht. Deze kanttekeningen in de herberekening van Circum advies geven daarom geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of de volledigheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde adviezen over parkeren. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eisers geen deskundig tegenadvies hebben overgelegd dat dateert van na het herziene advies verkeer van 26 maart 2024. Voor zover de door eiseres bedoelde e-mail van Circum als een tegenadvies zou kunnen gelden, is de rechtbank van oordeel dat het eerst op zitting wijzen op die e-mail, terwijl niet blijkt van een reden waarom die e-mail niet eerder had kunnen worden overgelegd, in strijd is met een goede procesorde. Om die reden heeft de rechtbank eisers niet in de gelegenheid gesteld deze e-mail alsnog over te leggen.
6.3.
Ter zitting hebben eisers aangevoerd dat de draaicirkel op het eigen terrein te beperkt is om de parkeerplaatsen te kunnen gebruiken. Daarin ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel over de parkeerbehoefte, nu eisers die stelling niet hebben onderbouwd en daaraan ook in de herberekening van Circum geen aandacht aan is besteed. Daarin is dan ook geen aanknopingspunt gelegen voor het oordeel dat het aantal bruikbare parkeerplaatsen dat op het eigen terrein van de vergunde bouw kan worden gerealiseerd niet juist is vastgesteld.
6.4.
Verder onderschrijft de rechtbank het standpunt van het college dat geen onderzoek naar de parkeerdruk in openbaar gebied nodig is wanneer op eigen terrein al voldoende parkeergelegenheid voorhanden is, zoals hier het geval is. De omgevingsvergunning is immers niet verleend in afwijking van het bepaalde in 3.1.1 van het Parapluplan, zodat het aan het in artikel 3.1.2 van het Parapluplan bepaalde, waaronder het onder letter c bedoelde onderzoek naar de parkeerdruk in het openbaar gebied, niet wordt toegekomen. De door eisers in dit verband ter zitting aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 27 november 2024 [1] maakt het voorgaande niet anders, omdat het in de zaak waarop die uitspraak ziet ging om een afwijking op basis van artikel 3.1.2 van het Parapluplan. Dat is hier niet aan de orde. De rechtbank volgt eisers daarom niet in hun betoog dat onderzoek had moeten worden verricht naar de parkeerdruk in de omgeving.
6.5.
De tegen de onderbouwing van de parkeerbehoefte gerichte beroepsgronden slagen niet.
Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
7. Eisers hebben ter zitting verzocht om vergoeding van immateriële schade vanwege het overschrijden van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
7.1.
In een zaak als deze is een bestuursrechtelijke procedure niet binnen een redelijke termijn afgerond als er meer dan twee jaren zijn verstreken tussen het maken van bezwaar en het doen van uitspraak in de beroepsprocedure. Daarbij geldt als uitgangspunt dat het college een half jaar de tijd heeft om op het bezwaar te beslissen en de rechtbank anderhalf jaar heeft om op een beroep te beslissen. Voor de overschrijding van de redelijke termijn geldt per half jaar, of een gedeelte daarvan, een vergoeding van € 500,-.
7.2.
De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop het college het bezwaarschrift heeft ontvangen. Dat was op 12 januari 2023. Deze uitspraak is van 7 mei 2026. Dat betekent dat de redelijke termijn met in totaal zestien maanden is overschreden. Eisers hebben dus recht op een bedrag aan schadevergoeding van € 1.500,-.
7.3.
De behandeling van het bezwaar heeft van de ontvangst van het bezwaarschrift op 12 januari 2023 tot de datum van het bestreden besluit, 29 maart 2024, afgerond naar boven vijftien maanden geduurd. De redelijke termijn in bezwaar van zes maanden is daarmee met negen maanden overschreden. Tot de datum van deze uitspraak heeft de beroepsprocedure afgerond naar boven vijfentwintig maanden geduurd. De redelijke termijn in beroep van achttien maanden is daarmee met zeven maanden overschreden.
7.4.
Van het bedrag aan schadevergoeding komt 9/16e deel (€ 843,75) voor rekening van het college en 7/16e deel (€ 656,25) voor rekening van de Staat.
7.5.
Omdat het bedrag aan schadevergoeding onder de € 5.000,- blijft, bestaat er gelet op de beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014 geen aanleiding om de Staat in de gelegenheid te stellen verweer te voeren. [2]

Conclusie en gevolgen

8. Het voorgaande betekent dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
8.1.
Omdat de rechtbank een gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb heeft gepasseerd, moet het college wel de proceskosten van eisers en het door eisers betaalde griffierecht van € 187,- vergoeden.
8.2.
De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
8.3.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor vergoeding van de door eisers verzochte kosten voor een in een e-mail vervat deskundigenadvies van Circum in de beroepsfase, alleen al omdat dit stuk eerst op zitting is genoemd en dit wegens strijd met een goede procesorde niet alsnog kon worden overgelegd.
8.4.
De proceskosten voor het mondelinge verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn stelt de rechtbank vast op € 233,50 (1 punt × € 934,- × wegingsfactor 0,25). Van dit bedrag komt 9/16e deel (€ 131,34) voor rekening van het college en 7/16e deel (€ 102,16) voor rekening van de Staat.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eisers moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van eisers;
  • veroordeelt het college tot het betalen van een schadevergoeding aan eisers tot een bedrag van € 843,75 wegens het overschrijden van de redelijke termijn in bezwaar;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan eisers tot een bedrag van € 656,25 wegens het overschrijden van de redelijke termijn in beroep;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eisers in verband met het verzoek om schadevergoeding tot een bedrag van € 131,34;
  • veroordeelt de Staat in de proceskosten van eisers in verband met het verzoek om schadevergoeding tot een bedrag van € 102,16.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2026.
De griffier is buiten staat om deze
uitspraak mede te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen Pro
In dit plan wordt verstaan onder:
(…)
1.5
voldoende parkeergelegenheid
Parkeergelegenheid voor auto's, waarvan het aantal parkeerplaatsen en de omvang daarvan voldoet aan de gemiddelde parkeerkencijfers van CROW-publicatie 317 (oktober 2012) en diens rechtsopvolger(s), dan wel later door het bevoegd gezag vastgestelde beleidsregels over parkeren.
Hoofdstuk 2 Algemene regels
(…)
Artikel 3 Algemene Pro bouw- en gebruiksregels
3.1
Parkeren
3.1.1
Algemeen
a. Indien de omvang of de functie van een gebouw, een bouwwerk of een terrein daartoe aanleiding geeft, moet voldaan worden aan voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein overeenkomstig het bepaalde in de CROW-publicatie 317 (oktober 2012) en diens rechtsopvolger(s);
b. het bevoegd gezag kan slechts een omgevingsvergunning verlenen voor de activiteiten bouwen en/of het gebruiken van gronden en/of de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein overeenkomstig het bepaalde in de CROW-publicatie 317 (oktober 2012) en diens rechtsopvolger(s);
c. De onder b genoemde bepalingen zijn alleen van toepassing voor aanvragen omgevingsvergunning waarvan het aannemelijk is dat deze een parkeervraag genereren.
3.1.2
Afwijken
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.1.1, indien:
aanpassing van het bouwplan om alsnog te kunnen voorzien in voldoende parkeerruimte op eigen terrein redelijkerwijs niet kan worden verlangd;
op een andere wijze is of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid om de toename van de parkeerbehoefte op te vangen;
uit parkeeronderzoek blijkt dat de parkeerdruk in het openbaar gebied niet toeneemt.
3.1.3
Advies
Een afwijking als genoemd in 3.1.2 wordt pas verleend, nadat een advies is verkregen van een verkeerskundige.
3.2
Beleidsregels
Het bevoegd gezag past artikel 3.1 toe met inachtneming van de CROW-publicatie 317 (oktober 2012) en diens rechtsopvolger(s) of door haar nadien vastgestelde beleidsregels met betrekking tot het parkeren, zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag omgevingsvergunning.

Voetnoten

2.Staatscourant 2014, 20210.