Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10897

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
12118647 EJ26-71285
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:250 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Benoeming bijzondere curator voor minderjarige in procedure gezagsbeëindiging en financiële vertegenwoordiging

De gecertificeerde instelling verzocht de rechtbank om een bijzondere curator te benoemen voor een minderjarige die in een kwetsbare positie verkeert en geen financiële vrijheid heeft doordat zij geen bankrekening bezit. De minderjarige woont niet bij haar moeder, die het ouderlijk gezag uitoefent, maar bij haar schoonouders en de vader van haar kind. Er is een machtiging tot uithuisplaatsing en een ondertoezichtstelling van kracht.

De kantonrechter constateerde een duidelijke en structurele belangenstrijd tussen de moeder en de minderjarige, zoals bedoeld in artikel 1:250 BW Pro. De moeder verleent geen toestemming voor het openen van een bankrekening, wat de minderjarige belemmert in het voorzien in haar en haar kind’s noodzakelijke behoeften. De gecertificeerde instelling onderbouwde ook de noodzaak van een bijzondere curator om de minderjarige bij te staan in een procedure over een gezagsbeëindigende maatregel.

De rechtbank besloot dat het in het belang van de minderjarige is dat een bijzondere curator wordt benoemd om haar financiële rechten te waarborgen, een bankrekening te openen en haar te vertegenwoordigen in de procedure over de gezagsbeëindiging. De bijzondere curator moet periodiek verslag uitbrengen en de zaak wordt pro forma aangehouden tot september 2026.

Uitkomst: De rechtbank benoemt een bijzondere curator voor de minderjarige om een bankrekening te openen en haar te vertegenwoordigen in de procedure over gezagsbeëindiging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Team Toezicht
Enkelvoudige kamer
zaaknummer
:
12118647 EJ26-71285
datum
:
19 maart 2026
Benoeming bijzondere curator ex artikel 1:250 BW Pro
Beschikking in het kader van het op 27 februari 2026 ingekomen verzoekschrift van:
William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
betreffende
[de minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de minderjarige.
De kantonrechter merkt als belanghebbende aan:
1. mevrouw
[de moeder], wonende op een bij de rechtbank bekend adres, moeder van de minderjarige. Hierna te noemen: de moeder.

1.Het verloop van het geding

1.1.
De kantonrechter heeft kennis genomen van het verzoekschrift met bijlagen.
1.2.
De kantonrechter heeft de zaak op 12 maart 2026 behandeld. Daarbij is verschenen:
 mevrouw [naam 1] en mevrouw [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling.
1.3.
De moeder is ook opgeroepen, maar niet verschenen ter zitting.
1.4.
Op 12 maart 2026 heeft ook het gesprek met de minderjarige plaatsgevonden.

2.De feiten

2.1.
De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten:
 Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt uitgeoefend door de moeder.
 De minderjarige woont niet bij haar moeder, maar bij haar schoonouders en de vader van haar kind. De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige is voor het eerst verleend op 22 oktober 2025. Bij beschikking van 14 januari 2026 is deze verlengd tot 21 mei 2026.
 De ondertoezichtstelling van de minderjarige duurt tot en met 17 november 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de rechtbank om een bijzonder curator te benoemen op grond van artikel 1:250 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), zodat de bijzondere curator namens de minderjarige kan optreden en de benodigde rechtshandelingen kan verrichten die zien op het openen van een bankrekening, het waarborgen van haar financiële rechten en het bijstaan in het proces van de gezagsbeëindigende maatregel.
3.2.
Samengevat geeft de gecertificeerde instelling als reden voor het verzoek dat de minderjarige zich in een ernstige afhankelijke en kwetsbare positie bevindt. Zij heeft geen financiële vrijheid doordat zij niet beschikt over een bankrekening. Dit belemmert haar in het voorzien in de noodzakelijke behoeften van haarzelf en haar kind, en vormt een direct bedreiging voor haar ontwikkeling en het welzijn van haar kind. Daarnaast onderzoekt de Raad voor de Kinderbescherming of een gezagsbeëindigende maatregel noodzakelijk is vanwege de zorgen over de opvoedingssituatie en de structurele belangenstrijd tussen moeder en minderjarige. Hierbij is sprake van een duidelijke en structurele belangenstrijd als bedoel in artikel 1:250 BW Pro.
3.3.
De moeder heeft haar standpunt niet kenbaar gemaakt aan de kantonrechter.
3.4.
Met de minderjarige is gesproken over de benoeming van een bijzondere curator en is uitgelegd wat dit betekent. De minderjarige heeft hiermee ingestemd en aangegeven dat zij dit prettig zou vinden.

4.De beoordeling

4.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 1:250 BW Pro bepaalt – voor zover hier van belang – het volgende. Wanneer in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige de belangen van de met het gezag belaste ouders in strijd zijn met die van de minderjarige, kan de rechtbank, indien dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk wordt geacht, daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking genomen, op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve een bijzondere curator benoemen om de minderjarige, zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen.
4.2.
Gebleken is dat zich in deze procedure met betrekking tot de minderjarige een belangenstrijd in de zin van voormeld artikel voordoet. De gecertificeerde instelling heeft het belang van het benoemen van een bijzondere curator voor het openen van een bankrekening en het waarborgen van haar financiële rechten voldoende toegelicht. Hiervoor is echter toestemming nodig van de gezagdrager. De kantonrechter heeft geconstateerd dat de moeder geen toestemming wil geven voor het openen van een bankrekening, althans dat zij hieraan geen medewerking verleent. De kantonrechter acht het in het belang van de minderjarige dat zij de beschikking krijgt over een eigen bankrekening, zodat zij onder andere een kindgebonden budget kan ontvangen en daarmee in de noodzakelijke behoeften van haarzelf en haar kind kan voorzien.
4.3.
Daarnaast heeft de gecertificeerde instelling voldoende onderbouwd dat er noodzaak is tot het benoemen van een bijzondere curator om de minderjarige bij te staan in een eventuele procedure met betrekking tot de gezagsbeëindigende maatregel.
4.4.
De rechtbank acht het dan ook in het belang van de minderjarige dat een bijzondere curator de belangen van de minderjarige in en buiten rechte vertegenwoordigt ten aanzien van:
 het verrichten van de benodigde rechtshandelingen die zien op het openen van een bankrekening,
 het waarborgen van haar financiële rechten, en
 het bijstaan van de minderjarige in de eventuele procedure die ziet op de gezagsbeëindigende maatregel van de moeder.

5.De beslissing

De rechtbank:
- benoemt over de minderjarige tot bijzondere curator:
mr. drs. K. Moene, kantoorhoudende te ’s-Gravenhage;
- verzoekt de bijzondere curator elke acht weken gedurende de benoeming, aan de rechtbank schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen en werkzaamheden; dit betekent dat de bijzondere curator op 14 mei 2026, 9 juli 2026 en op 3 september 2026 schriftelijk verslag uitbrengt;
- bepaalt dat verzoekster en de moeder binnen twee weken na ontvangst van het verslag van de bijzondere curator, desgewenst, hierop schriftelijk kunnen reageren; deze reactie dient aan de rechtbank, aan de bijzondere curator, aan de verzoekster en aan de moeder te worden gezonden;
- verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
- houdt de zaak aan, voor een termijn van zes maanden, tot 19 september 2026 pro forma, zulks in afwachting van voornoemde verslagen en eventuele reacties daarop ;
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C.M. Höppener, kantonrechter, bijgestaan door mr. A. de Ronde als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026.
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze beschikking kan – voor zover er een definitieve beslissing is genomen – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.