Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10921

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
C/09/684280 / FA RK 25-3143
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenbeschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BWArt. 1:251a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenbeschikking wijziging gezag en doorverwijzing ouderschapsbemiddeling

De moeder verzoekt de rechtbank om het gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind te beëindigen en haar het eenhoofdig gezag toe te kennen, vanwege een verstoorde communicatie en zorgen over het gedrag van de vader.

De vader erkent fouten uit het verleden, maar stelt dat de situatie is verbeterd en wil het gezamenlijk gezag behouden. De rechtbank constateert een verstoorde verstandhouding, maar ook dat er nog contact is tussen de ouders.

De rechtbank verwijst de ouders naar een ouderschapsbemiddelingstraject om de communicatie te verbeteren en houdt de beslissing over het gezag aan tot 15 oktober 2026. De Raad voor de Kinderbescherming wordt betrokken indien het traject niet positief wordt afgerond.

De beschikking bevat gedetailleerde instructies over rapportage en communicatie tussen de betrokken instanties en partijen, met als doel het belang van het kind te waarborgen.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot eenhoofdig gezag af en verwijst ouders naar ouderschapsbemiddeling met aanhouding van de beslissing tot 15 oktober 2026.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-3143
Zaaknummer: C/09/684280
Datum beschikking: 7 april 2026

Gezag

Beschikking op het op 27 januari 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Broekzitter-Nieuwland te Spijkenisse .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F. Bouyaghjdane te Rotterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het bericht van 6 maart 2026, met bijlagen, van de zijde van de moeder.
Op 9 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door mr. I. Demir als waarnemend advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

- De moeder en de vader zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2018 tot [datum 2] 2025.
- Zij zijn de ouders van de nog [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] .
- De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uit.
- Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 13 oktober 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 13 oktober 2023 tot 13 april 2024.
- Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 2 oktober 2024 is – voor zover hier aan de orde – de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken en bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder is.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de moeder strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, in die zin dat de moeder verzoekt haar met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten.
De vader heeft ter zitting verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Inhoudelijke beoordeling
Ter onderbouwing van haar verzoek stelt de moeder dat er al een aantal jaar geen (normale) communicatie tussen de ouders mogelijk is. Zij beschrijft verschillende incidenten waarbij de vader zich in persoon en telefonisch agressief en bedreigend tegenover de moeder heeft uitgelaten, ook over [minderjarige] . Volgens de moeder is er in het verleden sprake geweest van huiselijk geweld en is er nog altijd sprake van excessief drank- en drugsgebruik door de vader. Ook stelt de moeder dat de vader onbereikbaar is geweest voor afspraken bij het Centrum voor Jeugd en Gezin en ten aanzien van de schoolinschrijving van [minderjarige] , en dat de vader heeft geweigerd zijn toestemming te verlenen voor een vakantie van de moeder met [minderjarige] . De moeder stelt dat de verstandhouding tussen de ouders zeer slecht is en dat perspectief op verbetering daarvan ontbreekt. Het voorgaande maakt dat dat gezamenlijke gezagsuitoefening niet mogelijk en niet in het belang [minderjarige] is, ook omdat hierdoor het risico bestaat dat [minderjarige] klem of verloren raakt tussen de ouders, aldus de moeder.
De vader heeft ter zitting erkend dat hij in het verleden fouten heeft gemaakt, maar dat de situatie inmiddels is verbeterd. In dat verband wijst de vader op het afkicktraject dat hij in 2025 heeft gevolgd. Hij geeft aan dat hij sindsdien één terugval heeft gehad, maar dat hij daarna geen alcohol of middelen meer heeft gebruikt. Ook stelt de vader dat er wel contact is tussen de ouders en dat zij kort geleden tijd met elkaar hebben doorgebracht, waar ook [minderjarige] en de dochter van de vader bij aanwezig waren. De vader legt uit dat hij tijdens de mondelinge behandeling van een eerdere rechtszaak heeft gezegd dat het gezag naar de moeder mag, maar dat hij dit uit emotie riep en dat hij daar inmiddels anders over denkt. Hij zou graag meer contact willen met zijn zoon en wil het gezamenlijk gezag in stand houden.
Wettelijk kader
De rechter kan op grond van het bepaalde in artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen en bepalen dat het gezag aan één ouder toekomt, als zich een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat het eerste en derde lid van artikel 251a BW van overeenkomstige toepassing zijn. Dat artikel bepaalt dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Ontvankelijkheid
De moeder en de vader hebben allebei naar voren gebracht dat er veel tussen de ouders is gebeurd sinds de scheiding en dat er periodes zijn geweest waarin er geen of nauwelijks in persoon één-op-één contact is geweest tussen [minderjarige] en de vader. Het voorgaande maakt dat er naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor de moeder ontvankelijk is in haar verzoek tot wijziging van het gezag.
Inhoudelijke beoordeling
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de rechtbank gebleken dat er weliswaar sprake is van een verstoorde verstandhouding tussen de ouders, maar dat de ouders nog wel contact met elkaar onderhouden. Hoewel beide ouders stellen dat de andere ouder niet op normale wijze communiceert, lijken beide ouders ook in te zien dat hun eigen manier van communiceren niet altijd positief heeft bijgedragen aan de onderlinge verstandhouding. Daarom heeft de rechtbank (mede naar aanleiding van een suggestie daartoe van de Raad) op de zitting met de ouders gesproken over het inzetten van hulpverlening die het verbeteren van de communicatie tussen de ouders tot doel heeft. Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling / solo (parallel) ouderschap. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
De rechtbank verzoekt de ouders om de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van voornoemd traject. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat – zoals op de zitting met de ouders is besproken – zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is.
Als het traject niet heeft geleid tot een positief resultaat dient de instantie de eindrapportage ook tegelijkertijd te zenden aan de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). De griffier van de rechtbank stuurt binnen één week na ontvangst van deze rapportage een afschrift van de beschikking en van de voor de beoordeling relevante processtukken aan de Raad. Aan de hand hiervan zal de Raad bezien of er een onderzoek van de Raad noodzakelijk is. De Raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van de stukken de rechtbank hierover te informeren en, indien de Raad onderzoek noodzakelijk acht, dit te verrichten en daarvan bij de rechtbank een rapport in te dienen. De Raad wordt in dat geval verzocht om de volgende vraag te beantwoorden:
- Welke gezagssituatie is het meest in het belang van [minderjarige] ?
Deze beschikking geldt als voorwaardelijke opdracht aan de Raad om een onderzoek te verrichten voor het geval dat het traject volgens de uitvoerende hulpverleningsinstantie niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
In afwachting van het verloop van dit hulpverleningstraject zal de rechtbank haar beslissing ten aanzien van het gezag aanhouden tot 15 oktober 2026 pro forma.

BeslissingDe rechtbank:

*
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de vader]
wonende op de [adres 1] in [plaats 1] ,
en
[de moeder]
wonende op de [adres 2] in [plaats 2] ,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg en de Raad voor de Kinderbescherming;
bepaalt dat de ouders de rechtbank vóór na te melden pro formadatum informeren over het verloop van voornoemd traject;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders;
bepaalt dat de griffier binnen één week na ontvangst van de rapportage van een niet positief afgerond traject een afschrift van deze beschikking, de rapportage en de relevante processtukken die na deze beschikking zijn ingekomen aan de Raad voor de Kinderbescherming toestuurt;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming bij een niet positief verlopen traject na ontvangst van de brief van de rechtbank met de hiervoor genoemde stukken te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen, de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren en, indien dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van
het gezagaan tot
15 oktober 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. P. Burgers, kinderrechter, bijgestaan door
mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 7 april 2026.