De rechtbank Den Haag behandelde op 7 april 2026 het verzoek van de officier van justitie tot voortzetting van een crisismaatregel op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene, die verblijft in een HIC-accommodatie. Betrokkene erkent haar stoornis en incidenten, maar stelt wilsbekwaam te zijn en verzet zich tegen de voortzetting van de maatregel.
De advocaat van betrokkene voerde aan dat het ernstig nadeel onvoldoende was onderbouwd en dat betrokkene wilsbekwaam is, pleitte subsidiair voor aanhouding voor een second opinion. De arts stelde dat betrokkene een manisch psychotische ontregeling vertoont, met wisselend oordeelsvermogen en incoherent denken, en dat verplichte zorg noodzakelijk is vanwege het risico op ernstig nadeel.
De rechtbank concludeerde dat er sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, waaronder lichamelijk letsel en psychische schade, veroorzaakt door een manische episode bij een bipolaire stoornis. De crisis is te ernstig om een zorgmachtiging af te wachten. Het beroep op wilsbekwaam verzet wordt verworpen op basis van een onafhankelijke medische verklaring en de beoordeling van de arts.
De rechtbank verleent de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel voor een periode van drie weken, inclusief toediening van medicatie, medische controles, beperking van bewegingsvrijheid en opname in een accommodatie. Het verzoek voor meer of andere zorgvormen wordt afgewezen.