Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11014

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
NL26.24255
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 5.1b derde lid VbArt. 5.1b vierde lid Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens risico op onderduiken

Eiser, een Iraakse vreemdeling geboren in 2006, is door verweerder in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel is genomen vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublinverordening en een significant risico dat eiser zal onderduiken.

Eiser heeft het beroep schriftelijk ingediend en betwist de gronden van de bewaring niet. De rechtbank oordeelt dat de gronden feitelijk juist en voldoende toegelicht zijn, en dat het risico op onderduiken hiermee is vastgesteld. Eiser stelde dat een lichter middel had moeten worden toegepast, zoals een semi-vrije setting, maar de rechtbank volgt dit niet omdat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat een lichter middel niet doeltreffend is.

Verweerder heeft onder meer aangevoerd dat eiser illegaal naar het Verenigd Koninkrijk wil reizen en niet wil terugkeren naar Bulgarije. Er zijn geen omstandigheden gebleken die de bewaring onredelijk bezwarend maken. De rechtbank concludeert dat de maatregel niet onrechtmatig is geweest en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24255

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Bruin).

Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Hij heeft op 5 mei 2026 gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 6 mei 2026 een reactie op de beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek op 7 mei 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2006 en de Iraakse nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zal onderduiken.
Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat het significante risico op onderduiken hiermee is gegeven.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd dat geen lichter middel kan worden toegepast. Aan eiser had de keuze moeten worden geboden om vanuit een semi-vrije setting zijn medewerking aan verwijdering te verlenen.
5. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is om het significante risico op onderduiken te ondervangen. Daarbij heeft verweerder terecht betrokken dat eiser illegaal naar het Verenigd Koninkrijk wil uitreizen en heeft verklaard niet terug te willen keren naar Bulgarije. Verder is niet gebleken van omstandigheden die de bewaring voor eiser onredelijk bezwarend maken.
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 8 mei 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.