Uitspraak
Omgang
Beschikking op het op 23 mei 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
[de vader] ,
Procedure
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Beoordeling
Beslissing
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats] ;
- in de even weken van vrijdag 17.30/17.45 uur tot maandagochtend naar school, waarbij de moeder kinderen op vrijdag naar de vader brengt en de vader de kinderen op maandagochtend naar school;
- waarbij geldt dat wanneer de omgang vanwege gegronde reden in het belang van de kinderen niet kan doorgaan, partijen met elkaar (en niet via de kinderen) in overleg treden over een alternatief omgangsmoment;
- zomervakantie: de kinderen verblijven in de drie weken dat de moeder vakantie heeft (zij is afhankelijk van wanneer de tandartspraktijk waar zij werkt gesloten is) bij de moeder. De overige drie weken verblijven zij bij de vader;
- Kerst: de kinderen verblijven op 1e Kerstdag bij de moeder en op 2e Kerstdag bij de vader. Voor het overige geldt de bovenstaande vakantieregeling;
- Pasen: de kinderen verblijven op 1e Paasdag bij de moeder en op 2e Paasdag bij de vader. Voor het overige geldt de bovenstaande vakantieregeling;
- verjaardagen van opa’s en oma’s, ooms en tantes, nichtjes en neefjes: de kinderen zijn aanwezig bij de verjaardagen van hun familie (zowel van moeders- als vaderskant), ongeacht bij welke ouder zij op dat moment verblijven. De ouder bij wie de kinderen op dat moment zijn wordt tijdig over een dergelijke familiegelegenheid ingelicht en zorgt ervoor dat de kinderen daaraan kunnen deelnemen, tenzij hierover in goed overleg andere afspraken worden gemaakt;
- verjaardagen ouders en kinderen:
- Moederdag/Vaderdag: de kinderen verblijven vanaf de avond ervoor 18.00 uur tot deze dag 18.00 uur bij respectievelijk moeder/vader, ongeacht bij welke ouder zij volgens de reguliere regeling op dat moment verblijven;
- waarbij geldt dat wanneer de omgang vanwege gegronde reden in het belang van de kinderen niet kan doorgaan, partijen met elkaar (en niet via de kinderen) in overleg treden over een alternatief omgangsmoment;