Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11023

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
NL26.9412 en NL26.9413
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 31 lid 6 Vreemdelingenwet 2000paragraaf C1/4.1 Vreemdelingencirculaire 2000paragraaf C2/3.2.6 Vreemdelingencirculaire 2000paragraaf C1/4.4 Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvragen wegens ongeloofwaardigheid geldlening en geen verdragsvluchteling Roma

Eisers, Moldavische Roma met een minderjarige zoon, vroegen asiel aan wegens bedreigingen en ontvoering gerelateerd aan een niet-terugbetaalde geldlening en discriminatie vanwege hun etniciteit. De minister wees de aanvragen af wegens ongeloofwaardigheid van het geldleningsrelaas en het ontbreken van een reëel risico op ernstige schade.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht de verklaringen over de geldlening en de daaruit voortvloeiende problemen als ongeloofwaardig heeft beoordeeld. Er zijn tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van eisers onderling en met informatie van Roemeense autoriteiten, die niet kunnen worden verklaard door het beperkte referentiekader van eiser. Ook de vage en weinig gedetailleerde verklaringen van eiseres over de ontvoering en bedreigingen zijn onvoldoende.

Verder is vastgesteld dat eisers geen verdragsvluchteling zijn op grond van hun Roma-etniciteit, omdat zij niet zodanig worden beperkt in hun bestaansmogelijkheden dat zij sociaal-maatschappelijk niet kunnen functioneren. De rechtbank ziet geen reden om het belang van het kind bij terugkeer anders te beoordelen, omdat het relaas over de ontvoering niet geloofwaardig is.

De beroepen worden ongegrond verklaard en de afwijzingen van de asielaanvragen blijven in stand. De minister hoeft de proceskosten niet te vergoeden.

Uitkomst: De beroepen tegen de afwijzing van de asielaanvragen worden ongegrond verklaard en de afwijzingen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.9412 en NL26.9413

uitspraak van de enkelvoudige kamer 8 mei 2026 in de zaken tussen

[eiser], v-nummer: [nummer 1], eiser

[eiseres], v-nummer: [nummer 2], eiseres
mede namens hun minderjarige zoon,
[naam minderjarige zoon], v-nummer: [nummer 3],
samen: eisers
(gemachtigde: mr. A. Alkir),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzingen van de asielaanvragen van eisers als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzingen van de asielaanvragen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzingen van de asielaanvragen in stand kunnen blijven. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de problemen als gevolg van een geldlening van eisers niet geloofwaardig zijn. Ook heeft de minister terecht geconcludeerd dat eisers geen verdragsvluchteling vanwege hun Roma-etniciteit. In het verlengde hiervan had de minister de vraag of eisers bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade lopen niet hoeven te beoordelen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 2 oktober 2025 asielaanvragen ingediend. De minister heeft met de bestreden besluiten van 13 februari 2026 deze aanvragen afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eisers hebben ieder afzonderlijk beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 16 april 2026 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eisers en hun gemachtigde hebben vooraf aan de rechtbank laten weten dat zij niet aan de zitting zouden deelnemen.

Beoordeling door de rechtbank

De asielrelazen
3. Eisers hebben de Moldavische nationaliteit. Eiser is geboren op [geboortedag 1] 2004 en eiseres is geboren op [geboortedag 2] 2005. Eisers zijn getrouwd en hebben samen een zoon. Eisers leggen aan hun asielaanvragen ten grondslag dat zij problemen hebben, omdat eiser een geldbedrag heeft geleend en deze lening niet heeft kunnen terugbetalen. Als gevolg hiervan zijn eisers bedreigd, net als de grootouders van eiser. Ook is hun zoon ontvoerd. Eiseres had van de geldlening geen weet totdat haar zoon werd ontvoerd. Eisers hebben aangifte gedaan. Omdat de politie hen niet wil beschermen, zijn eisers uit Moldavië vertrokken. Verder stellen eisers als gevolg van hun Roma-etniciteit in Moldavië te worden gediscrimineerd.
De bestreden besluiten
4. De asielrelazen van eisers bevatten volgens de minister de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
geldlening en daaruit volgende problemen;
discriminatie vanwege Roma-etniciteit.
4.1.
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig. De minister vindt de geldlening en daaruit volgende problemen niet geloofwaardig. De minister heeft de discriminatie vanwege Roma-etniciteit niet op geloofwaardigheid getoetst. [1] De minister heeft vervolgens beoordeeld of eisers op grond van hun identiteit, nationaliteit en herkomst of de discriminatie vanwege hun Roma-etniciteit in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel. Omdat dit volgens de minister niet het geval is, heeft de minister de asielaanvragen afgewezen als ongegrond.
Mocht de minister de geldlening en daaruit volgende problemen voor eisers ongeloofwaardig vinden?
5. Eisers betogen dat de minister de geldlening en de daaruit volgende problemen ten onrechte ongeloofwaardig vindt.
5.1.
Het is niet in geschil dat eisers dit asielmotief niet volledig met objectieve documenten hebben onderbouwd. De minister heeft daarom aan de hand van de verklaringen van eisers en de overige overgelegde bewijsstukken beoordeeld of de asielmotieven alsnog geloofwaardig zijn. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eisers niet voldoen aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
De verklaringen van eiser vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel
5.2.
Eiser betoogt dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Allereerst stelt eiser dat de minister hem niet heeft kunnen tegenwerpen dat eiser tegenstrijdig verklaart met informatie van de Roemeense autoriteiten. Eiser heeft een laag opleidingsniveau en heeft moeite met het duiden van tijdsverloop, en bovendien gaan de verklaringen over stressvolle en traumatische gebeurtenissen. Dat eiser geen exacte data heeft genoemd, kan daarom geen afbreuk aan de geloofwaardigheid van het relaas doen. Daarnaast stelt eiser dat hem niet mag worden tegengeworpen dat hij en zijn vrouw onderling tegenstrijdig hebben verklaard over de lening en problemen. De tegengeworpen tegenstrijdigheden zien immers op details, en niet op de kern van het relaas. Het is bovendien algemeen bekend dat afzonderlijke gehoren over traumatische ervaringen kunnen leiden tot variaties in beleving en herinnering.
5.2.1.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eisers verklaringen over de geldlening en de daaruit voortvloeiende problemen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister heeft in het bestreden besluit kenbaar rekening gehouden met het referentiekader van eiser en heeft ook niet tegengeworpen dat eiser geen exacte data kon benoemen. De minister werpt eiser terecht tegen dat zijn verklaringen in strijd zijn met informatie van de Roemeense autoriteiten. Eiser heeft verklaard dat hij op 27 september 2025 Moldavië heeft verlaten. [2] Uit informatie van de Roemeense autoriteiten volgt echter dat eiser op 11 augustus 2025 vanuit Roemenië gecontroleerd is uitgezet naar Moldavië. Dat betekent dat de gestelde problemen als gevolg van de geldlening plaatsvonden toen eiser niet in Moldavië was. De rechtbank ziet niet in waarom deze tegenstrijdigheid het gevolg is van het beperkte referentiekader van eiser, nu deze verklaringen zo dusdanig verschillen van de informatie van de Roemeense autoriteiten. Ook gelet op het referentiekader van eiser had verwacht mogen worden dat eiser hierover niet dusdanig tegenstrijdig verklaarde. Verder stelt de minister terecht dat eisers onderling tegenstrijdig hebben verklaard over dezelfde gebeurtenissen. Zo heeft eiser verklaard dat hij al vrij vroeg – toen de problemen ontstonden – aangifte bij de politie heeft gedaan, [3] terwijl eiseres verklaart dat de eerste aangifte pas na de ontvoering van hun zoon was. Verder verklaart eiser dat hij drie dagen na de ontvoering aangifte deed en dat hij en eiseres acht dagen later zijn vertrokken, [4] terwijl eiseres verklaart dat zij twee dagen na de ontvoering zijn vertrokken. Ook verklaart eiser dat eiseres is bedreigd, terwijl eiseres stelt dat zij nooit bedreigd is en pas op de hoogte raakte van de ontvoering ná het plaatsvinden daarvan. [5] De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat deze tegenstrijdigheden gaan over details uit het asielrelaas, omdat de omschreven gebeurtenissen de kern van het asielrelaas vormen. Verwacht mag worden dat eisers daarover overeenkomstig kunnen verklaren. Eiser heeft verder niet onderbouwd dat afzonderlijke gehoren over traumatische ervaringen kunnen leiden tot variaties in beleving en herinnering en dat dit in zijn geval tot de tegengeworpen tegenstrijdige verklaringen heeft geleid.
De verklaringen van eiseres vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel
5.3.
Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat haar verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Allereerst stelt eiseres dat de verklaringen van haar en eiser geen wezenlijke tegenstrijdigheden over het relaas bevatten. Eiseres heeft verklaard dat zij niet rechtstreeks is bedreigd en dat zij naar waarheid heeft verklaard. Dat eiser anders heeft verklaard, maakt niet dat de verklaringen van eiseres ongeloofwaardig zijn. Het staat immers vast dat hun zoon is ontvoerd, waardoor eisers als ouders ook direct zijn bedreigd. Verder betoogt eiseres dat haar niet kan worden tegengeworpen dat zij vaag heeft verklaard over de problemen. Eiseres stelt dat zij tijdens het nader gehoor consistent heeft verklaard dat zij pas op de dag van de ontvoering op de hoogte raakte van de geldlening van haar echtgenoot. Het is daarom logisch dat eiseres niet kon verklaren over de hoogte van de lening, de rente of de betrokken personen. In dit verband stelt eiseres ook dat zij een poging tot aangifte heeft gedaan, maar dat hier niets mee is gedaan. Dat zij kort daarna het land heeft verlaten, is een logisch gevolg van haar vrees voor de veiligheid van haar zoon en haar gezin. Dit kan niet worden aangemerkt als ongeloofwaardig.
5.3.1.
De beroepsgrond van eiseres slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat de verklaringen van eiseres over de geldlening en de problemen als gevolg hiervan geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister heeft zich in de eerste plaats terecht op het standpunt gesteld dat eisers verschillend verklaren over dezelfde gebeurtenissen. De rechtbank heeft hiervoor onder 5.2.1 overwogen dat eisers onderling tegenstrijdig hebben verklaard over onder meer het tijdstip van vertrek uit Moldavië, de vraag of eiseres zelf is bedreigd en de vraag of eiseres zelf aangifte heeft gedaan, en dat dit niet gaat om – zoals ook eiseres betoogt – details van het asielrelaas. Met die tegenwerping wordt eiseres niet verweten dat zij niet naar waarheid heeft verklaard, maar slechts dat haar verklaringen zodanig van de verklaringen van eiser verschillen dat twijfels bestaan over de geloofwaardigheid van hun asielmotieven. Dat de ontvoering van haar zoon “vast” zou staan kan daar – wat daar gelet op het geloofwaardigheidsstandpunt van de minister ook van zij – niet aan afdoen. Verder werpt de minister niet ten onrechte tegen dat eiseres vaag verklaart over de geldlening en problemen die zij als gevolg daarvan ondervond. Eiseres verklaart dat de persoon waarvan geld is geleend veel connecties heeft, dat zij bang was dat hij haar overal kon vonden en dat de politie haar – mede gelet op haar afkomst – geen bescherming kon bieden. [6] Eiseres kan echter niet inzichtelijk maken wie de personen zijn die haar bedreigen, hoe zij weet dat zij connecties hebben en waarom zij niet beschermd wordt. De minister werpt eiseres ook niet ten onrechte tegen dat zij niet gedetailleerd verklaart over de ontvoering. Zo kan eiseres niet vertellen waar eiser was tijdens de ontvoering, en heeft eiseres summier verklaard over wat zij en eiser deden toen ze erachter kwamen dat hun zoon ontvoerd was. Eiseres verklaart enkel dat zij begon te zoeken en te schreeuwen. [7] De enkele stelling dat eiseres nog steeds niet alles weet van de situatie en dat het hierdoor logisch (en juist eerlijk) is dat eiseres niet meer weet dan dat zij heeft verklaard, is onvoldoende om de vage en weinig gedetailleerde verklaringen van eiseres te rechtvaardigen. De minister stelt terecht dat van eiseres meer mag worden verwacht, omdat dit gaat over de kern van haar asielrelaas. De enkele verwijzing van eiseres naar haar poging tot aangifte en haar vertrek uit Moldavië kort daarna, maakt dat niet anders. Eiseres legt daarmee niet uit waarom zij slechts vaag en weinig gedetailleerd over de geldlening en de problemen als gevolg daarvan heeft kunnen verklaren.
Conclusie over deze beroepsgrond
5.4.
De beroepsgrond van eisers slaagt niet. De minister vindt de geldlening en de problemen als gevolg daarvan terecht ongeloofwaardig.
Zijn eisers verdragsvluchteling?
6. Eisers betogen dat zij verdragsvluchteling zijn, omdat zij als gevolg van hun Roma-etniciteit worden gediscrimineerd en hiertegen in Moldavië geen bescherming kunnen krijgen. Dit is gebaseerd op concrete ervaringen. Eiser heeft zich eerder tot de politie gewend, maar heeft geen effectieve bescherming ontvangen. De minister heeft onvoldoende rekening gehouden met het feit dat het ontbreken van effectieve bescherming door de autoriteiten een cruciaal onderdeel vormt van hun asielmotief.
6.1.
De beroepsgrond van eisers slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eisers geen verdragsvluchteling zijn op de grond dat zij vanwege hun Roma-afkomst worden gediscrimineerd. De minister merkt discriminatie pas aan als daad van vervolging als de vreemdeling vanwege deze discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. [8] Daarvan is in het geval van eisers niet gebleken. De minister wijst er in dit verband terecht op dat eisers een woning hadden, dat eiser een baan had en dat eisers toegang hebben gehad tot medische zorg, omdat hun zoon is behandeld toen hij ziek was. [9] Daarnaast hebben eisers Moldavische legitimatiebewijzen kunnen verkrijgen en hebben zij legaal uit kunnen reizen. Bij eventuele voorkomende problemen kunnen eisers naar de (hogere) Moldavische autoriteiten gaan voor hulp of bescherming. Het is niet gebleken dat eisers deze mogelijkheid niet hebben. De enkele niet onderbouwde stelling dat eiseres een keer tevergeefs aangifte heeft proberen te doen, is onvoldoende om daaraan te twijfelen.
Lopen eisers bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade?
7. Eisers betogen dat zij bij terugkeer naar Moldavië een reëel risico op ernstige schade lopen. Vaststaat dat hun zoon op zeer jonge leeftijd slachtoffer is geworden van een ontvoering. Eiseres heeft herhaaldelijk verklaard dat haar primaire zorg de veiligheid van haar zoon is en dat er binnen Moldavië of in een ander land geen veilige alternatieven zijn. De minister heeft dat niet onderkend en onvoldoende waarde gehecht aan het belang van het kind. Eiser betoogt dat de personen van wie hij geld heeft geleend, eerder hebben laten zien bereid te zijn extreme middelen in te zetten, waaronder geweld en ontvoering. Van de Moldavische autoriteiten hoeven zij daarvoor geen bescherming te verwachten.
7.1.
De beroepsgrond van eisers slaagt niet. Zoals hiervoor onder 5.4 overwogen, heeft de minister de problemen van eisers als gevolg van de geldlening terecht ongeloofwaardig geacht. De minister had daarom geen reden hoeven zien om te beoordelen of eisers als gevolg hiervan een reëel risico op ernstige schade lopen. [10] Dit geloofwaardigheidsstandpunt heeft mede tot gevolg dat de ontvoering van de zoon van eisers niet wordt geloofd. De rechtbank ziet daarom ook niet in waarom de minister het belang van het kind onvoldoende in zijn beoordeling heeft betrokken.

Conclusie en gevolgen

8. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en de afwijzingen van de asielaanvragen in stand blijft. De minister hoeft de proceskosten van eisers niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van
S. Voolstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De minister heeft daarbij toepassing gegeven aan paragraaf C1/4.1, onder 5 en 6, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
2.Pagina 6 van het nader gehoor van eiser.
3.Pagina 12 van het nader gehoor van eiser.
4.Pagina 14 van het nader gehoor van eiser.
5.Pagina 6-7 van het nader gehoor van eiseres.
6.Pagina 6 en 9 van het nader gehoor van eiseres.
7.Pagina 10 van het nader gehoor van eiseres.
8.Op grond van paragraaf C2/3.2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
9.Pagina 2 van het nader gehoor van eiser.
10.Vergelijk ook paragraaf C1/4.4 van de Vc 2000.