Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11027

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
NL26.3630
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 31 lid 6 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid problemen met Al-Shabaab

Eiser, een Somalische ambtenaar, vroeg asiel aan vanwege bedreigingen door Al-Shabaab. Hij stelde dat hij vanwege zijn werk en afkomst doelwit was en vluchtte naar Europa uit vrees voor zijn leven.

De minister erkende de identiteit en herkomst van eiser, maar achtte zijn verklaringen over problemen met Al-Shabaab niet geloofwaardig, omdat deze niet samenhangend en aannemelijk waren. Eiser overhandigde een kopie van een aangifte bij de politie, maar dit document werd niet als objectief bewijs geaccepteerd.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de geloofwaardigheid van het asielrelaas betwistte. Eiser kon niet concreet uitleggen waarom juist hij bedreigd werd, en zijn verwijzingen naar algemene landeninformatie waren onvoldoende toegespitst. Ook het ontbreken van nadere toelichting tijdens het gehoor en het ontbreken van onderbouwing van familiebedreigingen speelden mee.

Daarom bleef de afwijzing van de asielaanvraag in stand en werd het beroep ongegrond verklaard. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3630

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. P.M. van der Roest),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven, omdat de minister de problemen van eiser met Al-Shabaab niet ten onrechte ongeloofwaardig vindt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 9 juli 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 14 januari 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Somalische nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1997. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser werkte in Somalië voor de overheid. Op enig moment is hij door Al-Shabaab gevraagd om te stoppen met zijn werk en later heeft Al-Shabaab hem ook (met de dood) bedreigd. Eiser heeft hier aangifte van gedaan bij de politie. Nadat Al-Shabaab bij een theehuisje in de buurt van zijn woning naar eiser informeerde, vluchtte hij naar zijn vriend [naam vriend], die hem uiteindelijk heeft geholpen om naar Europa te vluchten. Bij terugkeer naar Somalië vreest eiser door Al-Shabaab te zullen worden gedood.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
problemen met Al Shabaab.
4.1.
De minister vindt de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De minister vindt de problemen van eiser met Al-Shabaab niet geloofwaardig, omdat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister heeft daarom alleen gekeken of eiser op grond van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. Omdat dit volgens de minister niet het geval is, heeft de minister de asielaanvraag afgewezen als ongegrond.
Mocht de minister het tweede asielmotief (de problemen met Al-Shabaab) ongeloofwaardig vinden?
5. Eiser betoogt dat de minister de problemen met Al-Shabaab ten onrechte ongeloofwaardig vindt.
Documenten
5.1.
Eiser heeft in beroep een (kopie van een) bevestiging van zijn aangifte bij de politie overgelegd. Hij betoogt dat hiermee (alsnog) aannemelijk is dat hij bij de politie in Wadajir is geweest om aangifte te doen. [1] Eiser heeft op zitting aangeboden om, zo nodig, het authentieke document te overleggen voor onderzoek.
5.1.1.
Het betoog van eiser slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat dit document de geloofwaardigheid van het asielrelaas niet anders maakt. De minister stelt zich allereerst terecht op het standpunt dat geen sprake van een objectief document, omdat het document gebaseerd is op eisers verklaringen. Verder stelt de minister zich terecht op het standpunt dat het document geen ander licht doet schijnen op de geloofwaardigheidsbeoordeling van de gestelde problemen, omdat het document een herhaling is van de verklaringen van eiser, en in die zin niets toevoegt, en ook pas anderhalf jaar na het opmaken daarvan is ingebracht. De minister heeft ook terecht tegengeworpen dat eiser niet heeft uitgelegd wat de betekenis is van het feit dat de door eiser ingediende klacht “gegrond” is. Dat blijkt niet uit het overgelegde document. De minister heeft dan ook met al deze argumenten geen aanleiding hoeven zien om onderzoek te doen naar de echtheid van dit document.
5.2.
Uit het voorgaande volgt dat dit asielmotief niet (alsnog) volledig met objectieve documenten is onderbouwd. De minister heeft daarom beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
Verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel (voorwaarde c)
5.3.
Eiser betwist in dit verband dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser wijst erop dat hij niet kan onderbouwen waarom Al-Shabaab uitgerekend hem met de dood heeft bedreigd, omdat hij dit simpelweg niet weet. Eiser is geen invloedrijk persoon in Somalië. Eiser is wel een hoge ambtenaar, die dienstreizen maakte om informatie te verzamelen over buitenlandse hulpprojecten en hiervoor op televisie verscheen. Het is mogelijk dat eiser hierdoor in de negatieve belangstelling van Al-Shabaab is komen te staan. Uit algemene landeninformatie volgt namelijk dat overheidsmedewerkers een doelwit zijn voor Al-Shabaab – ook als zij een ondersteunende functie vervullen [2] – en dat Al-Shabaab overheidsmedewerkers rekruteert. [3] Daar komt nog bij dat eiser bij zijn laatste contact met zijn familie heeft gehoord dat zijn moeder is bedreigd door Al-Shabaab en dat zij, samen met haar dochters, heeft moeten verhuizen naar Mogadishu. Inmiddels heeft hij geen contact meer met zijn familie. Als de minister vindt dat eiser hierover onvoldoende heeft verklaard, had het op zijn weg gelegen om hierover tijdens het gehoor door te vragen.
5.3.1.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat de verklaringen van eiser over zijn problemen met Al-Shabaab geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. In dit verband mocht de minister aan eiser in de eerste plaats tegenwerpen dat hij vaag en oppervlakkig verklaart over waarom juist hij interessant is voor Al-Shabaab. Eiser verklaarde in eerste instantie dat hij interessant was, omdat hij tot de stam Murusade behoort (waartoe ook de meerderheid van Al-Shabaab behoort) en een hogere functie dan zijn assistenten had. [4] Later vulde eiser aan dat iedereen die bij de overheid werkt een doelwit is. [5] Eiser maakt daarmee niet inzichtelijk waarom juist hij in de negatieve belangstelling van Al-Shabaab staat. Gelet op het feit dat uit het Algemeen ambtsbericht volgt dat overheidsfunctionarissen met een minder prominent profiel – zoals eiser – minder prioriteit zijn voor Al-Shabaab, [6] mag van eiser een nadere uitleg daarover worden verwacht. Daarin is eiser met de enkele verwijzing naar het rapport ‘Country Guidance: Somalia’ van de EUAA [7] niet in geslaagd, omdat hieruit slechts algemene landeninformatie volgt en deze informatie niet is toegespitst op eiser. Eiser heeft niet geconcretiseerd hoe deze informatie op hem van toepassing is. Verder wijst de minister er terecht op dat de verklaringen van eiser gebaseerd zijn op vermoedens. Eiser voert daarover aan dat hij niet in de hoofden van Al-Shabaab kan kijken, maar dat werpt de minister ook niet tegen. De minister werpt niet ten onrechte tegen dat van hem meer onderbouwing mocht worden gevraagd over waarom juist hij in de belangstelling van Al-Shabaab zou staan. De minister had ook geen aanleiding hoeven zien om hierover tijdens het nader gehoor door te vragen, omdat eiser in zijn verklaringen heeft aangegeven niet méér te kunnen verklaren hierover. Eiser heeft in beroep ook niet toegelicht wat hij aan zijn verklaringen had willen toevoegen. De stelling dat eisers familie twee keer is verhuisd en – zoals gesteld – nu ook een doelwit is van Al-Shabaab, maakt het voorgaande tot slot niet anders. Eiser heeft die stelling namelijk niet onderbouwd.
Conclusie over deze beroepsgrond
6. De beroepsgrond slaagt niet. De minister vindt de problemen van eiser met Al-Shabaab niet ten onrechte ongeloofwaardig.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand blijft. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Eiser verwijst hiervoor naar productie 1.
2.Eiser wijst op het rapport ‘Country Guidance: Somalia’ van de European Union Agency for Asylum (EUAA) van oktober 2025.
3.Eiser wijst op het rapport ‘Country Guidance: Somalia’ van de EUAA van juni 2022.
4.Zie p. 8 en 9 van het nader gehoor.
5.Zie de correcties en aanvullingen op het nader gehoor.
6.Zie het Algemeen ambtsbericht Somalië van april 2023, p. 65.
7.Rapport van augustus 2023 en oktober 2025