ECLI:NL:RBDHA:2026:11097

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
12140241
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • W.E. Povel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWRichtlijn 93/13/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming woning en betaling huurachterstand toegewezen in kort geding

In deze kortgedingprocedure vorderen eisers ontruiming van de woning en betaling van een aanzienlijke huurachterstand door gedaagde. Gedaagde huurt sinds juni 2020 een woning en heeft een huurachterstand van vijf maanden opgebouwd. Eisers stellen dat ondanks herhaalde pogingen tot overleg en melding bij de gemeente, gedaagde niet heeft betaald en geen gehoor heeft gegeven.

De kantonrechter beoordeelt dat de huurachterstand van vijf maanden voldoende is om ontbinding van de huurovereenkomst in een bodemprocedure te rechtvaardigen. Gezien het spoedeisend belang en de vaste jurisprudentie wordt de ontruiming toegewezen met een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. Tevens worden de vorderingen tot betaling van achterstallige huur, wettelijke rente, warmtekosten en buitengerechtelijke incassokosten toegewezen.

De kantonrechter stelt vast dat de huurovereenkomst en algemene voorwaarden geen oneerlijke bedingen bevatten. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en is gewezen door mr. W.E. Povel op 14 april 2026.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen en betaling van huurachterstand, rente, warmtekosten, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
Zaaknummer: 12140241 \ RL EXPL 26-5880
Vonnis in kort geding van 14 april 2026
in de zaak van

1.[eisende partij 1] ,

te [woonplaats 1] ,
2.
[eisende partij 2],
te [woonplaats 2] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] c.s.,
gemachtigde: mr. J.P.M. van der Grift-Burghout,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
- de dagvaarding van 23 maart 2026, met producties.
1.2.
Op 31 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak (hierna: zitting) plaatsgevonden. Namens [eisers] c.s. was aanwezig mr. Van der Grift-Burghout. [gedaagde] was in persoon aanwezig. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt die zich in het procesdossier bevinden. Vervolgens is de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] huurt met ingang van 12 juni 2020 een woning aan de [adres] van [eisers] c.s. De huurprijs is maandelijks bij vooruitbetaling verschuldigd en bedraagt op dit moment (geïndexeerd) € 1.564,85 per maand.
2.2.
Het voorschot voor variabele kosten (waaronder warmtekosten) bedraagt € 150,00 per maand en is eveneens bij vooruitbetaling verschuldigd. Op grond van artikel 4.2 van de huurovereenkomst in samenhang bezien met artikel 17 van Pro de algemene bepalingen bij de huurovereenkomst vindt verrekening van deze kosten achteraf plaats.

3.De vordering

3.1.
[eisers] c.s. vorderen - samengevat - bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot:
I. ontruiming van de woning binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis;
II. betaling van een bedrag van € 9.155,87, bestaande uit:
a. € 7.824,25 aan achterstallige huur tot en met maart 2026, vermeerderd met de wettelijke rente per 18 maart 2026;
b. € 110,85 aan wettelijke rente over de achterstallige huur tot 18 maart 2026;
c. € 502,48 aan warmtekosten;
d. € 718,29 aan buitengerechtelijke incassokosten;
III. betaling van een bedrag van € 1.564,85 per maand (bij vooruitbetaling te voldoen) vanaf april 2026 tot en met de maand waarin de ontruiming is voltooid, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldatum van de betreffende huurtermijnen;
IV. betaling van de proces- en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
[eisers] c.s. leggen aan hun vorderingen - samengevat - het volgende ten grondslag. Op grond van de huurovereenkomst is [gedaagde] verplicht om de huursom maandelijks bij vooruitbetaling (uiterlijk voor of op de eerste dag van iedere maand) te voldoen. [gedaagde] is deze verplichting niet nagekomen en heeft een huurachterstand van vijf maanden laten ontstaan. Pogingen tot overleg met [gedaagde] en een melding bij de gemeente Den Haag (vroegsignalering) hebben niet tot resultaten geleid. Deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, rechtvaardigen volgens [eisers] c.s. de ontbinding van de huurovereenkomst en, vooruitlopend daarop, de ontruiming van de woning.
3.3.
Gelet op de hoogte van de huurachterstand en het feit dat deze oploopt, stellen [eisers] c.s. een spoedeisend belang te hebben bij hun vorderingen. Om de schade te beperken kan niet van hen worden verwacht dat zij een eventueel te voeren bodemprocedure afwachten. Op grond van de huurovereenkomst en bijbehorende algemene voorwaarden is [gedaagde] daarnaast een bedrag aan warmtekosten verschuldigd, aldus [eisers] c.s.

4.De beoordeling

Toetsingskader in kort geding
4.1.
Het betreft hier een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of [eisers] c.s. ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang hebben. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorzieningen gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
4.2.
De vordering tot ontruiming van de woning wegens de ontstane huurachterstand kent volgens vaste rechtspraak voldoende spoedeisend belang. Daarnaast is vaste rechtspraak dat, wanneer één vordering spoedeisend is, dit ook geldt voor de overige vorderingen.
4.3.
De kantonrechter merkt allereerst op dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een (diepgaand) onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] een huurachterstand heeft van (in elk geval) vijf maanden. Daarmee staat naar het oordeel van de kantonrechter vast dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van de huurovereenkomst. Volgens vaste jurisprudentie wordt een huurachterstand van drie maanden van voldoende omvang gevonden om ontbinding van de huurovereenkomst in een bodemprocedure te rechtvaardigen. Om die reden is de kantonrechter van oordeel dat het aannemelijk is dat de ontbinding van de huurovereenkomst in de bodemprocedure zal worden toegewezen. De kantonrechter acht hierbij mede van belang dat [gedaagde] , ondanks herhaalde contactpogingen van [eisers] c.s., niets van zich heeft laten horen tot aan de aankondiging van een gerechtelijke procedure. Daarnaast staat als onweersproken vast dat het niet de eerste keer is dat [gedaagde] een huurachterstand heeft laten ontstaan; ook in juni 2024 hebben [eisers] c.s. al eens een vordering uit handen moeten geven aan hun incassogemachtigde.
Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening
4.5.
In aanvulling op het bovenstaande overweegt de kantonrechter dat [eisers] c.s. hebben voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht zoals bedoeld in artikel 2 van Pro het Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening. Deze omstandigheid dient te worden meegewogen bij de beoordeling van de vraag of de vordering tot ontruiming, mede gelet op de gevolgen daarvan, dient te worden toegewezen.
Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen
4.6.
[eisers] c.s. hebben de tussen partijen gesloten huurovereenkomst en de algemene voorwaarden in het geding gebracht. De kantonrechter dient de hierin opgenomen voorwaarden ambtshalve te toetsen aan Richtlijn 93/13/EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). De kantonrechter heeft beide documenten beoordeeld en constateert dat geen sprake is van oneerlijke en dus onredelijk bezwarende bepalingen. De huurovereenkomst en algemene voorwaarden staan dus niet aan toewijzing van de vorderingen van [eisers] c.s. in de weg.
De betalingsachterstand rechtvaardigt ontruiming
4.7.
Bovenstaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, brengen met zich dat de gevorderde ontruiming in kort geding wordt toegewezen. De termijn waarbinnen [gedaagde] de woning moet ontruimen wordt gesteld op twee weken na de vonnisdatum. Dat is een gebruikelijke termijn bij toewijzing van een vordering tot ontruiming en de kantonrechter ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken.
Toewijzing geldvordering en rente
4.8.
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] een bedrag van € 7.824,25 aan achterstallige huur verschuldigd is aan [eisers] c.s. De kantonrechter wijst deze vordering dan ook toe. De wettelijke rente over dit bedrag wordt toegewezen zoals gevorderd. De kantonrechter wijst de vordering tot betaling van de lopende huur, inclusief de gevorderde wettelijke rente daarover, eveneens als onweersproken toe.
[gedaagde] moet de warmtekosten betalen
4.9.
[eisers] c.s. vorderen een bedrag van € 502,48 van [gedaagde] in verband met de afrekening van warmtekosten over de periode 2024-2025. [gedaagde] heeft deze vordering niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken. De kantonrechter wijst deze vordering daarom toe.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen
4.10.
[eisers] c.s. maken aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [eisers] c.s. hebben aan [gedaagde] een aanmaning verstuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. De kantonrechter wijst de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van € 718,29 daarom toe.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
4.11.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] c.s. worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
153,77
- griffierecht
265,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.139,77
4.12
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het pand aan de [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eisers] c.s. zijn, en de sleutels af te geven aan [eisers] c.s.,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan [eisers] c.s.:
a. a) € 7.824,25 aan achterstallige huur tot en met maart 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 18 maart 2026 tot de dag van volledige betaling,
b) € 110,85 aan wettelijke rente over de achterstallige huur tot 18 maart 2026,
c) € 1.564,85 per maand aan huur, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, vanaf 1 april 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de vervaldata van de betreffende huurtermijnen tot de dag van volledige betaling,
c) € 502,48 aan warmtekosten,
d) € 719,29 aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.139,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.E. Povel en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.