ECLI:NL:RBDHA:2026:11103
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- L.J. van der Veen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag wegens internationale bescherming in Duitsland
Verzoekster, van Eritrese nationaliteit, diende een asielaanvraag in Nederland in, die door de minister van Asiel en Migratie op 19 maart 2026 niet-ontvankelijk werd verklaard omdat zij reeds internationale bescherming geniet in Duitsland. Verzoekster stelde zich hiertegen te verzetten en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De minister stelde dat de Dublinverordening niet van toepassing is omdat verzoekster al bescherming in Duitsland geniet en dat verzoekster onvoldoende heeft onderbouwd dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt of dat zij zich tot de Duitse autoriteiten heeft gewend. Ook werd betwist dat verzoekster als bijzonder kwetsbaar kan worden aangemerkt.
De voorzieningenrechter oordeelde dat onverwijlde spoed aanwezig was vanwege de zwangerschap van verzoekster en de geplande behandeling van het beroep. Echter, verzoekster had geen stukken overgelegd die haar stellingen onderbouwen, noch dat overdracht aan Duitsland ernstige gezondheidsrisico's met zich meebrengt. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt afgewezen.