Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11103

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
NL26.16546
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArtikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag wegens internationale bescherming in Duitsland

Verzoekster, van Eritrese nationaliteit, diende een asielaanvraag in Nederland in, die door de minister van Asiel en Migratie op 19 maart 2026 niet-ontvankelijk werd verklaard omdat zij reeds internationale bescherming geniet in Duitsland. Verzoekster stelde zich hiertegen te verzetten en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De minister stelde dat de Dublinverordening niet van toepassing is omdat verzoekster al bescherming in Duitsland geniet en dat verzoekster onvoldoende heeft onderbouwd dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt of dat zij zich tot de Duitse autoriteiten heeft gewend. Ook werd betwist dat verzoekster als bijzonder kwetsbaar kan worden aangemerkt.

De voorzieningenrechter oordeelde dat onverwijlde spoed aanwezig was vanwege de zwangerschap van verzoekster en de geplande behandeling van het beroep. Echter, verzoekster had geen stukken overgelegd die haar stellingen onderbouwen, noch dat overdracht aan Duitsland ernstige gezondheidsrisico's met zich meebrengt. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16546

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], verzoekster,

geboren op [geboortedatum],
van Eritrese nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M.R. van der Pol),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. B.H. Wezeman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van verzoekster. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. Zij heeft daartegen ook beroep ingesteld.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 19 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De minister heeft op 29 april 2026 de rechtbank verzocht de behandeling van de voorlopige voorziening naar voren te halen vanwege de zwangerschap van verzoekster. De verwachte bevallingsdatum van verzoekster is 27 juni 2026.
2.2.
De minister heeft op 6 mei 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. In het besluit van 19 maart 2026 heeft de minister de asielaanvraag van verzoekster niet-ontvankelijk verklaard omdat zij internationale bescherming geniet in Duitsland. De minister heeft op 25 maart 2026 de Duitse autoriteiten verzocht of verzoekster een verblijfsvergunning in Duitsland heeft en of zij Duitsland mag inreizen. De Duitse autoriteiten hebben dezelfde dag gereageerd dat zij instemmen met de overdracht.
3.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat de Dublinverordening niet op verzoekster van toepassing is omdat zij internationale bescherming geniet in Duitsland. Verzoekster heeft verder volgens de minister niet met stukken onderbouwd dat niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland, noch dat zij zich heeft gewend tot de Duitse autoriteiten om te klagen dan wel om hulp te vragen. De minister stelt zich verder op het standpunt dat verzoekster niet als bijzonder kwetsbaar kan worden aangemerkt en dat de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid niet wordt bereikt.
4. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
4.1.
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.
4.2.
Aangezien de behandeling van het beroep gepland staat op 16 juli 2026, verzoekster zwanger is en is uitgerekend op 27 juni 2026, is hiermee de vereiste onverwijlde spoed gegeven. Dit biedt de voorzieningenrechter gelet op artikel 8:83, vierde lid, van de Awb de mogelijkheid om buiten zitting uitspraak te doen.
4.3.
De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster geen stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van het standpunt dat de minister niet langer uit kan gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verzoekster heeft ook geen stukken overgelegd die onderbouwen dat ze zich heeft gewend tot de Duitse autoriteiten. Verzoekster heeft tot slot ook geen stukken overgelegd ter onderbouwing van haar beroep op artikel 8 EVRM Pro. [2] Indien verzoekster stelt dat haar op grond van artikel 8 van Pro het EVRM een verblijfsvergunning toekomt, dan kan zij een daartoe een strekkende aanvraag bij de minister indienen. Het beroep heeft alleen al daarom geen redelijke kans van slagen.
4.4.
Uit de door verzoekster overgelegde stukken volgt verder dat niet is gebleken van objectieve gegevens waaruit moet worden afgeleid dat overdracht van verzoekster aan Duitsland het risico van aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor haar gezondheid in zich draagt. De gronden van het verzoek of het onderliggende beroepschrift geven niet alsnog blijk van dergelijke gegevens. Er is dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat verzoekster een bijzonder kwetsbare vreemdeling is in de zin van het Ibrahim-arrest, dan wel dat individuele garanties voorafgaand aan de overdracht nodig zijn.
4.5.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.