Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11127

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
9 mei 2026
Zaaknummer
C/09/679728 / FA RK 25-840
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming erkenning en omgangsregeling minderjarige met aanvullend raadsonderzoek

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de vader om vervangende toestemming te verkrijgen voor de erkenning van zijn minderjarige kind en om gezamenlijk gezag te verkrijgen. De moeder stemde in met de erkenning, maar verzette zich tegen gezamenlijk gezag. De Raad voor de Kinderbescherming werd belast met een onderzoek en bracht advies uit.

De rechtbank oordeelde dat de erkenning door de vader in het belang van het kind is en verleende vervangende toestemming. De werkzaamheden van de bijzondere curator werden daarmee beëindigd. Het verzoek tot gezamenlijk gezag werd afgewezen omdat de ouders al jaren niet communiceren, een totaal verschillende visie op opvoeding hebben en er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem raakt tussen de ouders.

De omgangsregeling werd aangehouden voor een aanvullend onderzoek door de Raad, gezien de complexe problematiek van het kind, waaronder vermoedens van autisme en de noodzaak van passende hulpverlening. De rechtbank achtte het belangrijk dat het kind zich eerst op haar ontwikkeling richt alvorens omgang met de vader plaatsvindt.

Ten aanzien van de informatieregeling bepaalde de rechtbank dat de moeder de vader eenmaal per twee maanden per e-mail moet informeren over de ontwikkeling van het kind, inclusief een recente foto. Het verzoek van de vader voor meer frequente informatie werd afgewezen. De procedure werd pro forma aangehouden tot 15 augustus 2026 voor verdere besluitvorming na het aanvullende rapport van de Raad.

Uitkomst: Vervangende toestemming erkenning toegekend, gezamenlijk gezag afgewezen, omgang aangehouden voor aanvullend onderzoek en informatieregeling vastgesteld.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-840
Zaaknummer: C/09/679728
Datum beschikking: 8 april 2026

Vervangende toestemming erkenning, gezag, omgang en informatie- en consultatie

Beschikking op het op 4 februari 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[de vader] ,

de man, hierna: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres buiten Nederland,
advocaat: mr. F.K. Hartman in Leiderdorp (voorheen: mr. M.B. Groenhart-Meerzorg in Leiderdorp ).
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres in Nederland,
advocaat: mr. R.W. van den Hoek te Leiden,
en ten aanzien van het verzoek tot vervangende toestemming erkenning:

de [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2020 in [geboorteplaats 1] ,

in rechte vertegenwoordigd door mr. R.A.M. Kamphuis-Jansen van Rosendaal, advocaat in Leiden, in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Procedure

Bij beschikking van 10 juni 2025 van deze rechtbank – voor zover hier relevant – is de Raad verzocht een onderzoek te verrichten en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen en is iedere verdere beslissing over de vervangende toestemming erkenning, het gezag, de omgang c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de informatie- en consultatieregeling en de proceskosten pro forma aangehouden.
De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook van:
  • het bericht van 20 juni 2025 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);
  • het rapport van 21 november 2025 van de Raad, met kenmerk: KZ-1-65TDCWU;
  • het bericht van 24 november 2025 van de Raad, met bijlage;
  • het bericht van 8 december 2025 van de vader, met bijlage;
  • het bericht van 27 februari 2026 van de vader, met bijlage.
Op 11 maart 2026 is de mondelinge behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader bijgestaan door zijn advocaat en een tolk;
  • de moeder bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam] namens de Raad
Beoordeling
De rechtbank handhaaft alles wat bij de vorige beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Vervangende toestemming erkenning
De Raad heeft naar aanleiding van zijn onderzoek geadviseerd om het verzoek van de vader om aan hem vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] te erkennen toe te wijzen.
De moeder heeft enerzijds ingestemd met de erkenning van [minderjarige] door de vader, maar anderzijds verzet zij zich daartegen omdat zij niet wil dat de vader mede met het gezag over [minderjarige] wordt belast. De vader heeft daarom belang bij zijn verzoek om aan hem vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] te erkennen. De moeder erkent dat de vader de biologische vader is van [minderjarige] en dat de vader in het verleden ook opvoedtaken op zich heeft genomen. Gelet hierop en omdat er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van is dat de erkenning een belemmering zal zijn voor de ongestoorde verhouding van de moeder met [minderjarige] of de sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige] , zal de rechtbank het verzoek van de vader om aan hem vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] te erkennen toewijzen.
Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure daarom als beëindigd.
Gezamenlijk gezag
De Raad heeft naar aanleiding van zijn onderzoek geadviseerd om het verzoek van de vader om hem samen met de moeder met het gezag over [minderjarige] te belasten af te wijzen. De Raad acht een wijziging in het gezag op dit moment niet in het belang van [minderjarige] , omdat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. De ouders hebben op dit moment geheel geen contact, zij hebben een geheel andere visie op de opvoeding van [minderjarige] en de vader is niet op de hoogte van de problematiek van [minderjarige] en welke hulpverlening hiervoor noodzakelijk is.
De vader handhaaft zijn verzoek om hem, als de vader van [minderjarige] , mede met het gezag over [minderjarige] te belasten.
De moeder sluit zich aan bij het advies van de Raad en stelt zich op het standpunt dat het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag moet worden afgewezen.
De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de ouders gezamenlijk het gezag over hun kind uitoefenen, omdat dit in het belang van het kind wordt geacht. Hiervoor is echter wel vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijk overleg over zaken die het kind aangaan en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans dat zij in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. De rechtbank is van oordeel dat de ouders hier op dit moment niet toe in staat zijn. Voldoende gebleken is dat de ouders al jaren niet met elkaar communiceren over [minderjarige] , dat zij een compleet andere visie hebben op de opvoeding van [minderjarige] en wat [minderjarige] – die een bovengemiddelde opvoedbehoefte heeft – nodig heeft. Gelet hierop acht de rechtbank de ouders niet in staat om op een constructieve manier in het belang van [minderjarige] met elkaar te communiceren, wat wel nodig is voor een deugdelijke uitvoering van het gezamenlijk gezag. Er is verder onvoldoende onderling vertrouwen tussen de ouders. De rechtbank vreest dat de situatie zal verslechteren als de ouders beslissingen over [minderjarige] in overleg gezamenlijk moeten gaan nemen. Er is hiermee naar het oordeel van de rechtbank – net als de Raad van mening is – een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren raken tussen de ouders, waarbij niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Gelet daarop zal de rechtbank het verzoek van de vader om hem mede met het gezag over [minderjarige] te belasten afwijzen.
Vanwege deze beslissing wordt in het vervolg van deze beschikking gesproken over de omgang(sregeling).
Omgang
De Raad heeft naar aanleiding van zijn onderzoek geadviseerd om de beslissing over de omgangsregeling aan te houden voor de duur van negen maanden zodat er kan worden gewerkt aan de door de Raad gestelde doelen, waarna de Raad een vervolgonderzoek zal doen. Bij [minderjarige] is sprake van persoonlijke problematiek – zij heeft moeite met het uiten van haar gevoelens, moeite met prikkels en impulsregulatie, er is sprake van echolalie, het houden van controle en zij is altijd zeer alert – en vanuit Cardea wordt dit schooljaar bezien welke schoolgang en hulpverlening passend is voor [minderjarige] . De Raad stelt zich op het standpunt dat dit voorrang moet krijgen op de omgang tussen de vader en [minderjarige] , omdat een goedlopende ontwikkeling van [minderjarige] voorop moet staan. Als er nu omgang tussen de vader en [minderjarige] wordt opgestart, zal dit veel spanning opleveren bij [minderjarige] en dit zal zijn weerslag hebben op de schoolgang en de hulpverlening van [minderjarige] . Zodra er meer duidelijkheid is over de schoolgang van [minderjarige] en de hulpverlening voor de moeder en [minderjarige] zijn vruchten heeft afgeworpen, acht de Raad dat er meer gelegenheid komt voor contactherstel met de vader. De Raad wil dit in een vervolgonderzoek verder bezien, waarbij dan wordt gekeken naar welke manier de omgang tussen de vader en [minderjarige] vormgegeven kan worden en wat hierin wenselijk is voor [minderjarige] .
Op de zitting heeft de Raad het schriftelijke advies onderstreept en benadrukt dat de draagkracht van [minderjarige] heeft geleid tot dit advies. Het is belangrijk dat [minderjarige] zich eerst focust op haar eigen ontwikkeling, voordat bekeken kan worden hoe de omgang met de vader eruit moet zien.
De vader stelt zich op het standpunt dat – zo begrijpt de rechtbank – er voorbijgegaan moet worden aan het rapport en het advies van de Raad omdat deze enkel zijn gebaseerd op subjectieve informatie van, met name, de moeder en niet op waarheidsvinding. Als de rechtbank daar wel van uitgaat en de zaak eventueel aanhoudt, vindt de vader dat er in de tussentijd al omgang tussen hem en [minderjarige] moet zijn. De vader kan zich voorstellen dat de omgang moet worden opgebouwd. Hij stelt daarom het volgende stappenplan voor: de vader zal eerst kaartjes sturen naar [minderjarige] , dan zal de vader videobellen met [minderjarige] , dan zal er begeleide omgang zijn met [minderjarige] en tot slot zal er onbegeleide omgang zijn met [minderjarige] .
De moeder sluit zich aan bij het advies van de Raad. [minderjarige] heeft het afgelopen jaar stappen vooruit gezet in haar ontwikkeling, met name omdat zij ritme en structuur heeft. Iedere onverwachte situatie brengt haar in de war. Het is volgens de moeder daarom onduidelijk hoe zij zal reageren op de vader.
De rechtbank gaat dus voorbij aan de stelling van de vader het rapport en het advies van de Raad enkel zijn gebaseerd op subjectieve informatie van, met name, de moeder, en niet op waarheidsvinding. De Raad heeft het advies immers mede gebaseerd op informatie van verschillende professionele instanties die betrokken zijn bij [minderjarige] , zoals Cardea, Veilig Thuis, de jeugdzorgwerker/mentor en gezinsbegeleider van [zorginstantie] en het consultatiebureau.
Uit de stukken en op de zitting is de rechtbank het volgende gebleken. Er zijn het afgelopen jaar veel (positieve) ontwikkelingen rondom [minderjarige] geweest. [minderjarige] gaat sinds dit schooljaar bij Cardea naar school, naar [zorginstantie] . [minderjarige] zit daar in een observatiegroep, waarin wordt gekeken wat [minderjarige] nodig heeft binnen het onderwijs, wat haar ntwikkelingsbehoeftes zijn en welk speciaal onderwijs hierna passend is. Ook is ingezet op diagnostiek van haar problematiek; er is een vermoeden van autisme. Op de zitting is duidelijk geworden dat er op 12 maart 2026 meer duidelijkheid zou komen over de diagnostiek van [minderjarige] , de schoolgang van [minderjarige] en de verdere hulpverlening voor [minderjarige] .
Mede gelet op deze ontwikkelingen rondom [minderjarige] acht de rechtbank zich op dit moment nog onvoldoende voorgelicht om een weloverwogen beslissing in het belang van [minderjarige] te nemen over een omgangsregeling. De rechtbank zal daarom de beslissing hierover aanhouden en de Raad verzoeken om een aanvullend onderzoek te doen naar de omgang tussen de vader en [minderjarige] , waarbij de ouders, de school en de hulpverleners rondom [minderjarige] moeten worden betrokken.
Omdat het op dit moment niet duidelijk is welke (vorm van) omgang, en in welke frequentie, in het belang is van [minderjarige] , ziet de rechtbank geen mogelijkheden om in afwachting van het aanvullend raadsonderzoek een voorlopige contact/omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] vast te stellen.
De rechtbank zal in afwachting van het aanvullend raadsonderzoek de procedure opnieuw pro forma aanhouden tot 15 augustus 2026, zoals nader vermeld in het dictum van deze beschikking.
Informatieregeling
De Raad heeft naar aanleiding van zijn onderzoek geadviseerd om een informatieregeling vast te stellen, waarbij de moeder de vader een keer per drie maanden een e-mail stuurt met informatie over [minderjarige] en haar ontwikkeling en een duidelijke foto van [minderjarige] .
De vader vindt de door de Raad geadviseerde informatieregeling te minimaal. Hij wil maandelijks een informatie- en consultatiemail van de moeder ontvangen, waarin een update wordt gegeven over het welzijn en de schoolgang van [minderjarige] , aangevuld met een recente foto.
De moeder stemt in met de door de Raad geadviseerde informatieregeling.
De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat de vader regelmatig over haar en haar ontwikkeling wordt geïnformeerd. Een regeling waarbij de moeder de vader maandelijks moet informeren is naar het oordeel van de rechtbank (te) belastend. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de moeder de vader één keer per twee maanden per e-mail moet informeren over [minderjarige] en haar ontwikkeling, en daarbij één recente foto van [minderjarige] moet meesturen. De rechtbank zal aldus beslissen en het meer of anders verzochte over de informatieregeling afwijzen.
Proceskosten
Omdat de rechtbank nog geen eindbeschikking zal geven, zal de rechtbank de proceskosten opnieuw aanhouden.

Beslissing

De rechtbank:
*
verleent de vader, [de vader] , geboren op [geboortedatum 2] 1966 in [land] , toestemming – die de toestemming van de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 3] 1978 in [geboorteplaats 2] , [land] , vervangt – tot erkenning van de [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2020 in [geboorteplaats 1] ;
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
*
wijst af het verzoek van de vader om hem mede met het gezag over [minderjarige] te belasten;
*
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een
aanvullendonderzoek te verrichten over de omgang tussen de vader en [minderjarige] met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
de Raad voor de Kinderbescherming kan daartoe telefonisch een afspraak maken met de ouders, die – voor zover nog noodzakelijk – te bereiken zijn op de volgende telefoonnummers: 071 – 203 21 66 (advocaat vader) en 071 – 529 29 99 (advocaat moeder);
bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking en de nader ingekomen processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
uiterlijk op
1 augustus 2026moet de Raad voor de Kinderbescherming zijn
aanvullendrapport met advies hebben uitgebracht aan de rechtbank, met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
uiterlijk op
15 augustus 2026moeten de ouders zich schriftelijk hebben uitgelaten over het
aanvullendrapport met advies van de Raad voor de Kinderbescherming en de gewenste verdere voortgang van deze procedure;
bepaalt dat, ná ontvangst van het rapport en advies en voor zover noodzakelijk, de behandeling op de zitting op een nader te bepalen datum en tijdstip, zal worden voortgezet in aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming;
*
bepaalt dat dat de moeder de vader één keer per twee maanden per e-mail moet informeren over [minderjarige] en haar ontwikkeling, en daarbij één recente foto van [minderjarige] moet meesturen, en verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte over de informatieregeling;
*
houdt iedere verdere beslissing
over de omgang en de proceskostenaan
tot 15 augustus 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Sluijmer als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 8 april 2026.