De rechtbank Den Haag heeft op 8 april 2026 een beschikking gegeven inzake nevenvoorzieningen na de echtscheiding van partijen. De echtscheiding was reeds uitgesproken op 19 november 2025, waarna de behandeling van nevenvoorzieningen en proceskosten was aangehouden. Tijdens de procedure hebben partijen afspraken gemaakt over diverse onderwerpen, waaronder het gezamenlijk ouderlijk gezag, de hoofdverblijfplaats van het minderjarige kind, omgangsregelingen, kinderalimentatie en de verdeling van de echtelijke woning.
De rechtbank heeft vastgesteld dat partijen gezamenlijk het gezag blijven uitoefenen conform artikel 1:251a lid 2 BW, maar deze afspraak niet in het dictum van de beschikking is opgenomen. Het hoofdverblijf van het kind is bij de vrouw, met wekelijkse omgang op woensdagavond met de man, waarbij alternatieven worden afgesproken bij roosterwijzigingen. De man zal een maandelijkse bijdrage van €506,- betalen aan de vrouw voor verzorging en opvoeding van het kind vanaf het moment dat de vrouw de woning verlaat.
Verder is overeengekomen dat de overwaarde van de woning gelijk wordt verdeeld, waarbij de vrouw een gebruiksvergoeding van €300,- per maand aan de man betaalt vanaf 1 november 2025, welke vergoeding wordt verrekend bij de notariële verdeling. De vrouw zal de woning verlaten binnen een maand na het passeren van de akte van verdeling. De rechtbank heeft de gemaakte afspraken in de beschikking opgenomen, iedere partij draagt de eigen proceskosten en het meer of anders verzochte is afgewezen.