Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11251

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
10 mei 2026
Zaaknummer
C/09/700147 / FA RK 26-1848
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorzieningen co-ouderschap en alimentatie na echtscheiding met birdnesting-regeling

Partijen zijn gehuwd sinds 2018 en hebben samen drie minderjarige kinderen. De man verzoekt een voorlopige regeling waarbij de kinderen in de echtelijke woning verblijven volgens een birdnesting-schema, met wisseling van zorg in even en oneven weken. De vrouw verzet zich en stelt dat de man onvoldoende zorg heeft gedragen en dat de kinderen last hebben van wisselmomenten.

De rechtbank overweegt dat de man niet ongeschikt is voor zorg, maar dat zijn verblijf in een kliniek en behandeling voor stress en middelengebruik beperkingen oplevert. Daarom wordt voorlopig een zorgregeling vastgesteld waarbij de man de kinderen in het weekend één dag ziet, zonder overnachting, en na ontslag uit de kliniek een birdnesting-regeling mogelijk is.

De echtelijke woning wordt exclusief toegewezen aan de ouder die de kinderen op dat moment verzorgt. De rechtbank stelt de kinderalimentatie vast op €587 per maand, rekening houdend met draagkracht en zorgkorting. De partneralimentatie wordt afgewezen wegens gebrek aan draagkracht van de man.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en geldt als voorlopige maatregel in de lopende echtscheidingsprocedure.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige zorgregeling toe met weekendcontact voor de man tijdens kliniekverblijf, kent de zorg toe aan de vrouw, stelt kinderalimentatie vast en wijst partneralimentatie af.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 26-1848
Zaaknummer: C/09/700147
Datum beschikking: 9 april 2026

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 23 februari 2026 ingekomen verzoekschrift van:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.W.G. van der Wallen in Rijswijk.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R. van Venetiën in Alphen aan den Rijn.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlage;
  • het verweerschrift, met bijlagen;
  • het verweer op zelfstandige verzoeken, met bijlagen.
Op 25 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Van de zijde van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

  • Partijen zijn met elkaar gehuwd op [dag] 2018 in [plaats] .
  • Partijen zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 in [geboorteplaats 1] ;
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 in [geboorteplaats 2] ;
  • [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2021 in [geboorteplaats 1] .
  • Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.
  • De vrouw heeft twee minderjarige kinderen uit een eerder huwelijk.
  • Bij deze rechtbank is sinds 20 februari 2026 een echtscheidingsprocedure aanhangig, onder zaak- en rekestnummer C/09/700099 en FA RK 26-1819.

Verzoek en verweer

De man verzoekt, bij wijze van voorlopige voorzieningen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens, te bepalen dat de navolgende regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal gelden:
  • in de even weken hebben de kinderen contact met de man en in de oneven weken hebben de kinderen contact met de vrouw, in de echtelijke woning van partijen, met als wisseldag vrijdag om 16.00 uur;
  • partijen moeten ervoor zorgen dat zij de echtelijke woning om 16.00 uur hebben verlaten;
  • de partij die bij de kinderen zal verblijven in de echtelijke woning haalt de kinderen op vrijdag op van school;
  • de kinderen verblijven steeds in de echtelijke woning, zodat zij niet hoeven te reizen;
  • deze regeling blijft gelden totdat de echtelijke woning aan de man is overgedragen;
  • vakanties worden 50/50 verdeeld.
De vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • te bepalen dat de kinderen voorlopig zullen worden toevertrouwd aan de vrouw;
  • te bepalen dat de vrouw voorlopig bij uitsluiting van de man bevoegd is tot de bewoning/het gebruik van de echtelijke woning te [adres] ;
  • de man te veroordelen tot nakoming/uitvoering van de onderstaande voorlopige zorgregeling:
- reguliere omgang gedurende een weekend per twee weken van vrijdag na school of 14.00 uur, tot maandag voor school of 08.30 uur;
- tijdens alle schoolvakanties blijft de reguliere zorgregeling ongewijzigd van kracht van vrijdag om 8.30 uur en eindigt op maandag 17.00 uur;
- op oudejaarsavond: in de even jaren zullen de kinderen bij de vrouw zijn;
- op oudejaarsavond: in de oneven jaren zullen de kinderen bij de man zijn;
- op Moederdag: bij de vrouw;
- op Vaderdag: bij de man;
- overige feestdagen in overleg,
althans een zorgregeling door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen;
  • de man te veroordelen om voorlopig een bedrag van € 1.200 per kind per maand aan de vrouw te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, althans een zodanige bijdrage als de rechtbank in goede justitie vaststelt, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en vermeerderd met iedere uitkering die de man op grond van geldende wetten of andere regelingen voor de kinderen zal of kan worden verleend, met ingang van de datum van indiening van onderhavig verzoekschrift;
  • de man te veroordelen om voorlopig een bedrag van € 8.322 bruto per maand aan de vrouw te betalen als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, althans een zodanige bijdrage als de rechtbank in goede justitie vaststelt, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum van indiening van onderhavig verzoekschrift.

Beoordeling

Uitsluitend gebruik woning, toevertrouwing en voorlopige zorgregeling
De man verzoekt een co-ouderschapsregeling in de vorm van birdnesting, waarbij de kinderen de ene week bij de man in de echtelijke woning zijn en de andere week in dezelfde woning bij de vrouw. Volgens de man doet dit recht aan de opbouw van evenwichtig family life. Een co-ouderschapsregeling is voor de kinderen voorspelbaar en zal hen meer rust en structuur geven. Door het wisselmoment op vrijdagmiddag vast te stellen, hebben de kinderen een weekend om de wekelijkse overgang rustig te kunnen verwerken. Veilig Thuis is betrokken bij het gezin en heeft een voorlopige zorgregeling voorgesteld waarbij de kinderen van maandagmiddag uit school tot donderdagochtend naar school bij de vrouw zijn, van donderdagmiddag uit school tot vrijdagmiddag uit school bij de man zijn en het ene weekend bij de man en het andere weekend bij de vrouw. De man wil echter minder wisselmomenten voor de kinderen, omdat dit hen meer rust geeft en omdat hij heeft gemerkt dat de kinderen last hebben van de vele wisselmomenten. De man heeft voorts aangegeven dat hij sinds kort in een kliniek verblijft om daar aan zichzelf te werken en om daar te leren op een andere manier met spanningen en stress om te gaan dan hij tot voor kort deed.
De vrouw verweert zich en voert aan dat tijdens de proefperiode van de door Veilig Thuis voorgestelde regeling de man tekort is gekomen in de nakoming van de zorgregeling. Volgens de vrouw is deze regeling slechts twee keer uitgevoerd en heeft de man de kinderen eind januari voor het laatst bij zich gehad. Ook de vrouw heeft gemerkt dat de kinderen last hebben van de vele wisselmomenten. De regeling brengt veel spanningen mee en de kinderen hadden merkbaar last van de situatie. Dit gaat momenteel beter omdat de kinderen minder bij de man zijn. De vrouw moest tijdens de proefperiode noodgedwongen bij haar ouders verblijven wat niet in haar belang en dat van haar andere twee minderjarige kinderen, voor wie zij ook grotendeels zorgdraagt, is. Volgens de vrouw nam de man tijdens het huwelijk nooit zorgtaken op zich zodat de vrouw van mening is dat de man niet doordeweeks voor de kinderen kan zorgen. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de vader en de kinderen in het weekend contact kunnen hebben met elkaar om leuke dingen te doen. De vrouw acht het ook niet in het belang van de kinderen om langer te verkeren in een situatie die onrust en spanningen met zich brengt. Volgens de vrouw heeft de man aan haar kenbaar gemaakt dat hij in ieder geval tot en met mei 2026 in een kliniek zal verblijven, hetgeen betekent dat de man op dit moment helemaal niet in staat is om uitvoering te geven aan de door hem zelf verzochte regeling.
De rechtbank overweegt als volgt. Op basis van de beschikbare informatie ziet de rechtbank geen enkele aanleiding om aan te nemen dat de man ongeschikt is om een belangrijk deel van de zorgtaken over de kinderen op zich te nemen. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding om te veronderstellen dat de recente gedragsveranderingen die beide ouders bij de kinderen hebben gezien uitsluitend te wijten zijn aan het contact en het verblijf van de kinderen bij de man, zoals de vrouw wil doen geloven. De rechtbank ziet dat de spanningen tussen partijen hoog oplopen, dat zij over en weer verwijten maken naar elkaar over de ontstane situatie en dat er ten overstaan van de kinderen nare dingen zijn gebeurd toen partijen nog samen waren. In navolging van hetgeen door de Raad op de zitting naar voren is gebracht acht ook de rechtbank het veeleer aannemelijk dat het gedrag van de kinderen het gevolg is van de ontstane situatie tussen partijen en het feit dat zij geharnast tegenover elkaar staan. Partijen hebben besloten uit elkaar te gaan en dat is een situatie waar ook de kinderen aan moeten wennen maar de strijd die er op dit moment woedt, moet ontzettend ingewikkeld voor hen zijn.
Het baart de rechtbank zorgen dat de vrouw desgevraagd op de zitting heeft aangeven dat zij de man ook in de toekomst slechts als weekendvader ziet die af en toe iets leuks met hen kan doen. Zoals ook op de zitting besproken zet de vrouw de man daarmee grotendeels als vader voor de kinderen buitenspel en miskent zij dat ook zij een aandeel heeft in de ontstane situatie. Veilig Thuis is betrokken bij het gezin en heeft onderzoek gedaan naar de situatie. Veilig Thuis geeft aan dat kinderen recht hebben op contact met beide ouders tenzij omgang schadelijk kan zijn voor de kinderen. Uit het rapport van Veilig Thuis komt dat niet voren. Uit de gesprekken van Veilig Thuis met de kinderen zijn geen grote zorgen naar voren gekomen die maken dat de vader ongeschikt wordt bevonden om een aanzienlijk deel van de zorg voor de kinderen op zich te nemen. Veilig Thuis heeft veiligheidsvoorwaarden opgesteld en er zijn veiligheidsafspraken gemaakt in het belang van de kinderen. De vrouw heeft op de zitting het advies van Veilig Thuis afgedaan als een standaardadvies. Daarmee verliest zij echter uit het oog dat in dit verband is gesproken met de scholen van de kinderen, de huisarts, de Jeugdgezondheidszorg, [hulpverlener 1] , [hulpverlener 2] en een relatietherapeut. Naar aanleiding van deze gesprekken met verschillende partijen die bij het gezin zijn betrokken is een advies uitgebracht.
Ondanks dat er geen grote zorgen over zijn opvoedvaardigheden zijn, kan de rechtbank er niet omheen dat de man sinds maart in een kliniek verblijft en een behandeling is aangegaan die er uiteindelijk toe moet leiden dat dat hij anders omgaat met spanningen, stress en andere emoties en zijn middelengebruik stopt. De man heeft voorafgaand aan zijn verblijf in de kliniek ook een detox gedaan. De man kan pas in april met verlof in de weekenden zonder overnachtingen buiten de kliniek. Als de behandeling van de man goed verloopt dan kan de man, volgens eigen zeggen, op zijn vroegst medio mei met ontslag. Dat brengt met zich dat de man op dit moment en ook komende weken een co-ouderschapsregeling zoals door Veilig Thuis is voorgesteld of zoals door de man is verzocht, waarbij beide ouders de kinderen gedurende meerdere dagen verzorgen, niet nakomen. Uitsluitend om die reden zal de rechtbank, voor zolang de man in de kliniek verblijft en hij weekendverlof heeft zonder overnachtingen, een voorlopige zorgregeling bepalen waarbij de man en de kinderen
ieder weekendomgang met elkaar zullen hebben op zaterdag óf zondag van 10:00 tot 19:00 uur. Als de regels van de kliniek zich hiertegen verzetten dan moeten partijen tot een andere afspraak komen waarbij de bedoeling is dat de vader ieder weekend een hele dag met de kinderen omgang heeft.
Vanaf het moment dat de man uit de kliniek is ziet de rechtbank aanleiding om een vorm van birdnesting te bepalen zodat de kinderen ook bij de man kunnen overnachten. De rechtbank zal bepalen dat de kinderen in de ene week het weekend van vrijdag uit school tot maandag naar school en in de andere week één dag in het weekend van 10:00 uur tot 19:00 uur met de man zullen zijn. De rechtbank acht deze regeling in het belang van de kinderen. Op deze manier krijgt de man enerzijds de gelegenheid om verder te werken aan zijn herstel en zal dit er anderzijds toe moeten leiden dat bij de vrouw het vertrouwen terugkeert dat de man wel degelijk meer kan zijn dan een weekendvader zodat partijen uiteindelijk kunnen gaan toewerken naar een vorm van co-ouderschap.
Het contact tussen de man en de kinderen zal plaatsvinden in de echtelijke woning. De rechtbank realiseert zich dat dit voor beide partijen niet ideaal is, maar acht het in het belang van de kinderen dat zij met beide ouders contact kunnen hebben in de voor hen vertrouwde omgeving. De rechtbank benadrukt dat het hier gaat om een tijdelijke maatregel. In het kader van de afwikkeling van de echtscheiding zal in eider geval één van partijen een woning elders moeten gaan betrekken. Het is in ieders belang als daarin voortvarendheid wordt betracht.
Nu de vrouw met deze beslissing in ieder geval voorlopig het overgrote deel van de zorg voor de kinderen heeft zal de rechtbank het verzoek van de vrouw om toevertrouwing van de kinderen aan haar toewijzen.
Ten aanzien van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning zal de rechtbank bepalen dat de man gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de woning aan de [adres] op de momenten dat de kinderen volgens de voorlopige zorgregeling bij de man zijn en dat de vrouw uitsluitend gerechtigd is tot de woning aan de [adres] wanneer de kinderen volgens de voorlopige zorgregeling bij haar zullen zijn. Daarbij speelt ook een rol dat de vrouw de zorg heeft over nog twee minderjarige kinderen voor wie het ook belangrijk is dat zij zoveel mogelijk in hun vertrouwde omgeving kunnen blijven en zij niet telkens ergens anders naartoe moeten. Daarbij geldt dat de ouder die in de woning verblijft met de kinderen ook de daarbij horende huishoudelijke taken op zich neemt en het huis voor de ander netjes achterlaat.
De rechtbank ziet gelet op het voorgaande aanleiding om in het kader van deze tijdelijke regeling niets vast te leggen met betrekking tot de vakanties. Met name de onzekere situatie rond het verblijf van de man in de kliniek, brengt mee dat de rechtbank op dit moment niet kan overzien welke regeling voor de vakanties het meest in het belang van de kinderen is en wat de man wel of niet kan nakomen. De voorlopige zorgregeling loopt dan dus door. Ook hier benadrukt de rechtbank het voorlopige karakter van de maatregel en dat het geenszins de bedoeling is om de man in de toekomst vakanties met zijn kinderen te ontzeggen.
Voorlopige kinderalimentatie
De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om de voorlopige vaststelling van kinderalimentatie in het kader van gevraagde voorlopige voorzieningen. Deze vaststelling heeft het karakter van een ordemaatregel, waarbij het gaat om een bijdrage voor de duur van de echtscheidingsprocedure. Daarbij is het uitgangspunt dat een summier onderzoek wordt gedaan en zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de actuele situatie, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man € 1.200 per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet voldoen vanaf de datum van indiening van haar verzoek. De man voert hiertegen verweer.
Nu de hoogte van de kinderalimentatie tussen partijen in geschil is zal de rechtbank overgaan tot een berekening. Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen als uitgangspunt.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum.
Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig)verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van indiening van het verzoek, te weten 20 maart 2026 nu de man vanaf deze datum rekening kon houden met een eventueel te betalen bedrag aan kinderalimentatie.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van de kinderen (de behoefte) zijn. Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk worden bepaald.
Ten aanzien van de behoefte van de kinderen rekent de rechtbank met de tarieven 2026-I.
NBI van de man
De vrouw stelt dat de man naast zijn DGA salaris ook inkomsten heeft uit dividend, winst uit onderneming, loon uit arbeid bij Rivas Zorggroep en uit de verhuur van onroerende zaken. Zij schat zijn NBI daarom op € 25.000,- per maand. Volgens de vrouw moet worden afgeweken van het maximale behoeftebedrag in het rapport Alimentatienormen omdat deze niet representatief is voor de werkelijke behoefte en de werkelijk ervaren mate van welstand van de kinderen.
De man betwist dat hij een inkomen heeft van € 25.000,- per maand en dat het netto gezinsinkomen van partijen hoger is dan € 7.500,- netto per maand, het hoogste bedrag waar in de ‘Tabel eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen’, vanuit wordt gegaan. De man had tot april 2024 een managementovereenkomst met Blackbelt XP Holding B.V. en werkte feitelijk voor de werkmaatschappij Blackbelt XP Nederland B.V. Door het aankomende faillissement van Blackbelt XP Nederland B.V. heeft de man op 11 juni 2024 zijn werkzaamheden voor Blackbelt XP gestopt. De man is toen vanwege een concurrentiebeding in loondienst gaan werken bij Rivas Zorggroep en heeft hier de afgelopen twee jaar voor de duur van het concurrentiebeding gewerkt. De man heeft in de afgelopen periode geen inkomsten gegenereerd vanuit [bedrijf] . De man heeft ook geen inkomsten uit de onroerende goederen meer in Nederland aangezien deze al enige tijd geleden zijn verkocht. Met de winst hiervan heeft de man geïnvesteerd in een project in Dubai. Dit project ligt stil. Ook genereren de appartementen geen inkomsten aangezien de appartementen ook moeten worden afbetaald. De man heeft ook geen inkomsten uit het appartement in Duitsland omdat hier ook een hypotheek tegenover staat.
De rechtbank kan als gezegd uitsluitend rekening houden met inkomsten waar zij voldoende zicht op heeft. De rechtbank sluit niet uit dat de man naast zijn inkomen uit loondienst andere inkomsten heeft, zoals bijvoorbeeld een inkomen uit de verhuur van appartementen maar acht de stellingen van de vrouw, gelet op de betwisting door de man onvoldoende onderbouwd. De rechtbank ziet voor nu aanleiding om voor het NBI van de man uit te gaan van zijn arbeidsinkomen bij Rivas Zorggroep in 2026. Uit de salarisspecificatie van januari 2026 volgt een salaris van € 5.434,49, exclusief 8% vakantiegeld. De rechtbank zal ook rekening houden met een eindejaarsuitkering van € 453,- per maand, een premie ouderdomspensioen van € 676,- per maand en een premie WGA-hiaat van € 15,- per maand.
De rechtbank houdt verder rekening met:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting.
Uitgaande van de bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank het NBI van de man in 2026 op € 3.987,- per maand.
NBI van de vrouw
De vrouw heeft een eenmanszaak en heeft een winst uit onderneming in 2023 van € 22.172, in 2024 van € 31.574,97 en in 2025 van € 43.254,83. De vrouw gaat voor de berekening van haar NBI uit van een gemiddelde winst uit onderneming.
De man betwist het inkomen van de vrouw. Volgens de man is de vrouw steeds meer gaan werken als dirigent en heeft zij een hoger inkomen. Volgens de man heeft de vrouw verschillende werkzaamheden zoals het geven van concerten, muziek doceren, het geven van buitenschoolse cursussen en op hoog niveau dirigeren van vier orkesten. Volgens de man fokt de vrouw ook honden waardoor zij extra inkomsten heeft.
De vrouw betwist dat zij deze extra inkomsten heeft.
De rechtbank acht de stelling van de man, gelet op de betwisting door de vrouw onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal voor de berekening van het NBI van de vrouw uitgaan van haar winst uit onderneming van 2025 van € 43.254,83. Nu de winst uit onderneming van de vrouw steeds is gestegen ziet de rechtbank geen reden om aan te nemen dat de vrouw minder zal gaan verdienen in 2026.
De rechtbank houdt verder rekening met:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting;
  • de combinatiekorting;
  • de zelfstandigenaftrek;
  • de MKB-winstvrijstelling.
Uitgaande van de bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2026 op € 3.308,- per maand.
De rechtbank merkt nadrukkelijk op dat in de bodemprocedure de kinderalimentatie definitief kan worden berekend en vastgesteld, waarbij de mogelijke overige inkomsten van beiden één van de factoren is waarmee rekening zou kunnen worden gehouden.
Conform de aanbevelingen uit het alimentatienormenrapport 2026 dient bij het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) te worden opgeteld het kindgebondenbudget waar partijen ten tijde van de samenleving recht op hadden. Op basis van hun NBGI hadden partijen recht op een kindgebondenbudget van € 232,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Aldus berekent de rechtbank het NBGI op € 7.527,- per maand (€ 3.987,- + € 3.308,- + € 232,-).
Gelet op voormeld NBGI bedraagt de behoefte van de kinderen op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen voor drie kinderen uit het rapport, € 1.835,- per maand.
Draagkracht
Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding de ouders dienen bij te dragen in de behoefte van de kinderen. De rechtbank volgt ook daarbij het Rapport Alimentatienormen, waaruit volgt dat het eigen aandeel in de kosten van de kinderen tussen partijen moet worden verdeeld naar rato van hun draagkracht. Het bedrag aan draagkracht in 2026 wordt vastgesteld aan de hand van de formule: 70% van [NBI -(0,3 x NBI + 1.365)].
Vanwege de ingangsdatum, te weten 20 maart 2026, rekent de rechtbank met de tarieven 2026-I.
Draagkracht van de man
Het inkomen van de man is tussen partijen in geschil. Zoals hierboven weergegeven stelt de vrouw dat de man verschillende inkomstbronnen heeft. De man betwist dit en stelt dat hij per 1 april 2026 via [bedrijf] BV als bestuurder voor Datafitters Solutions BV gaat werken nu het concurrentiebeding na twee jaar is geëindigd. Hij zal daardoor vanaf 1 april 2026, wanneer de omzet dat toelaat, een management fee van € 6.000,- per maand ontvangen.
De vrouw betwist dat dit het nieuwe inkomen wordt van de man. Volgens de vrouw komt het nieuwe inkomen van de man bij het inkomen dat de man al verdient bij Rivas Zorggroep nu de man geen beëindigingsovereenkomst heeft overgelegd.
De rechtbank zal voor het vaststellen van de draagkracht van de man uitgaan van een inkomen per 1 april 2026 van € 6.000,- per maand. De loonstrook van de man van maart 2026 bij Rivas Zorggroep geeft aanleiding om te veronderstellen dat zijn dienstverband is geëindigd nu zowel het vakantiegeld als de eindejaarsuitkering naar rato zijn uitbetaald.
De rechtbank houdt verder rekening met:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting.
Uitgaande van de bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank het individueel NBI van de man in 2026 op € 4.170,- per maand en zijn draagkracht op € 1.088,- per maand.
Draagkracht van de vrouw
Bij de berekening van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van dezelfde inkomensgegevens als bij de behoefteberekening en daarmee ook van een individueel NBI van € 3.055,- per maand. De draagkracht van de vrouw berekent de rechtbank op € 1.369,- per maand.
Nu de vrouw nog twee minderjarige kinderen heeft uit een eerdere relatie ziet de rechtbank aanleiding om haar draagkracht door vijf kinderen te delen zodat zij voor de kinderen van partijen beschikbaar heeft € 821,- (1.369 / 5 x 3).
Gezamenlijke draagkracht
De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt (€ 1.088,- + € 812,- =) 1.900,- en is voldoende om in de behoefte van de kinderen van € 1.835,- te voorzien.
Volgens de berekening is het aandeel van de man € 1.046,- per maand en het aandeel van de vrouw € 790,- per maand.
Zorgkorting
Gelet op de te bepalen voorlopige zorgregeling waarbij de kinderen en de man gemiddeld twee dagen per week contact zullen hebben met elkaar ziet de rechtbank aanleiding om een zorgkorting van 25% te hanteren. De zorgkorting bedraagt € 459,- ( 25% van € 1.835,-).
Conclusie
De rechtbank zal gelet op het voorgaande bepalen dat de man, met ingang van 20 maart 2026, een kinderalimentatie van (€ 1.046,- - € 459,- = ) € 587,- per maand aan de vrouw moet voldoen.
Voorlopige Partneralimentatie
De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om een vaststelling van een voorlopige partneralimentatie in het kader van voorlopige voorzieningen. Deze vaststelling heeft het karakter van een ordemaatregel, waarbij het gaat om een eventuele bijdrage voor de duur van de ontbindingsprocedure. Daarbij is het uitgangspunt dat een summier onderzoek wordt gedaan en zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de actuele situatie, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft.
Bij de vaststelling van de partneralimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (het rapport) als uitgangspunt.
De vrouw verzoekt een partneralimentatie van € 8.322,- per maand. De man heeft zich hiertegen verweerd.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum.
Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig)verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
De rechtbank zal de partneralimentatie vaststellen met ingang van de datum van indiening van het verzoek, te weten 20 maart 2026 nu de man vanaf deze datum rekening kon houden met een eventueel te betalen bedrag aan partneralimentatie.
Behoefte van de vrouw
De rechtbank zal de behoefte van de vrouw vaststellen aan de hand van de zogeheten ‘hofnorm’, inhoudende dat de behoefte van de alimentatiegerechtigde kan worden gelijkgesteld aan 60% van het NBI van partijen ten tijde van hun uiteengaan, minus de kosten van de kinderen. Zoals reeds overwogen in het kader van de kinderalimentatie bedroeg het NBGI van partijen ten tijde van hun uiteengaan van € 7.527,- per maand en bedroegen de kosten van de kinderen € 1.835,- per maand. De rechtbank berekent de behoefte van de vrouw conform de hofnorm op een bedrag van € 3.415,- netto per maand (60% van (€ 7.527,- minus € 1.835,-)).
Aanvullende behoefte van de vrouw
Ter bepaling van de aanvullende behoefte van de vrouw dient haar eigen inkomen van haar totale behoefte te worden afgetrokken. Zoals reeds overwogen in het kader van de kinderalimentatie gaat de rechtbank uit van haar winst uit onderneming van 2025 van
€ 43.254,83.
De rechtbank houdt verder rekening met:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting;
  • de combinatiekorting;
  • de zelfstandigenaftrek;
  • de MKB-winstvrijstelling.
De rechtbank berekent het individueel NBI van de vrouw op € 3.308,- per maand.
Het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen bedraagt € 790,-. De vrouw ontvangt € 1.436,- aan kindgebondenbudget zodat er € 646,- van het kindgebondenbudget resteert. Dit leidt tot een aanvullende behoefte van € 107,- netto per maand. Dat is € 205,- bruto per maand.
Draagkracht van de man
De rechtbank berekent de draagkracht van de man voor voorlopige partneralimentatie aan de hand van dezelfde gegevens als voor zijn draagkracht voor voorlopige kinderalimentatie.
De rechtbank berekent het individueel NBI van de man op € 4.170,- per maand.
Op grond van het voorgaande, bedraagt de draagkrachtruimte van de man € 1.554,- per maand. Hiervan is 60% beschikbaar voor partneralimentatie, wat neerkomt op € 932,- netto per maand. Daarop wordt door de rechtbank het aandeel van de man in de kosten van de kinderen (= kinderalimentatie + zorgkorting) van € 1.046,- per maand in mindering gebracht.
Conclusie
De man heeft gelet op het voorgaande geen draagkracht beschikbaar voor het betalen van partneralimentatie aan de vrouw. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een voorlopige partneralimentatie afwijzen.
Proceskosten
Omdat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt dat de minderjarigen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 in [geboorteplaats 1] ;
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 in [geboorteplaats 2] ;
  • [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2021 in [geboorteplaats 1] .
aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;
*
bepaalt dat voorlopig, zolang de man in een kliniek verblijft en weekendverlof heeft, de man omgang met de minderjarigen zal hebben op zaterdag óf zondag van 10:00 uur tot 19:00 uur;
*
bepaalt dat zodra de man uit de kliniek is de minderjarigen voorlopig bij de vader zullen zijn:
- in de ene week van vrijdag uit school tot maandag naar school;
- in de andere week op zaterdag óf zondag van 10:00 uur tot 19:00 uur,
*
bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] gedurende de tijd dat de minderjarigen volgens de voorlopige zorgregeling bij de man zijn;
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] gedurende de tijd dat de minderjarigen volgens de voorlopige zorgregeling bij de vrouw zijn;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 20 maart 2026 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen, (bij co-ouderschap eventueel:
medeverzorgt en opvoedt)van € 587,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.F. Lemmens als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 9 april 2026.