Verzoeker, geboren in Gaza in 1997, is in april 2024 via meerdere landen naar Nederland gereisd en heeft hier asiel aangevraagd. Hij beschikt over documenten die zijn Palestijnse afkomst bevestigen, waaronder een Palestijns paspoort en een UNWRA-kaart. Het verzoek tot vaststelling van staatloosheid is ingediend op basis van de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid.
De rechtbank heeft het verzoek zonder mondelinge behandeling behandeld, omdat de Staat der Nederlanden het verzoek steunt. De rechtbank beoordeelt dat verzoeker in Nederland woont en onmiddellijk belang heeft bij de vaststelling van zijn staatloosheid, waardoor hij ontvankelijk is.
De rechtbank betrekt de Palestijnse gebieden en Turkije bij haar beoordeling. Hoewel verzoeker Palestijnse documenten bezit, erkent Nederland de Palestijnse nationaliteit niet en beschouwt Palestijnen zonder andere nationaliteit als staatloos. Verzoeker verbleef slechts dertig dagen in Turkije, onvoldoende voor naturalisatie volgens de Turkse wet. Daarom wordt hij niet als Turkse onderdaan beschouwd.
Op grond van deze feiten stelt de rechtbank vast dat verzoeker staatloos is. De beschikking is uitgesproken op 10 april 2026 door rechter C.L. Strop.