ECLI:NL:RBDHA:2026:11293

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
C/09/698590 / FA RK 26-886
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:336a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot wijziging verblijf minderjarige naar zorgboerderij wegens draagkrachtproblemen pleeggezin

De gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting verzocht de rechtbank om vervangende toestemming voor wijziging van het verblijf van een minderjarige naar een zorgboerderij, omdat de draagkracht van het pleeggezin onder druk staat. De pleegouders verzetten zich tegen dit verzoek en benadrukten de hechte band met het kind en het belang van stabiliteit.

De rechtbank nam kennis van de langdurige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarige sinds 2016, de problematiek waaronder ADHD, hechtingsstoornissen en medische aandoeningen, en de uitgebreide ondersteuning die het pleeggezin ontvangt. Ondanks deze ondersteuning is de draagkracht van het pleeggezin, met name van de pleegvader, ernstig verminderd.

De rechtbank oordeelde dat een tijdelijke overplaatsing niet in het belang van het kind is vanwege het risico op instabiliteit en dat een permanente plaatsing op de zorgboerderij, een voor het kind bekende en vertrouwde plek, het beste aansluit bij zijn behoeften. De bijzondere band met de pleegouders dient te worden behouden door regelmatige contacten en betrokkenheid.

De rechtbank verleende daarom de gevraagde toestemming en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank verleent vervangende toestemming voor wijziging van het verblijf van de minderjarige naar de zorgboerderij vanwege overbelasting van het pleeggezin en het belang van het kind.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 26-886
Zaaknummer: C/09/698590
Datum beschikking: 10 april 2026

Vervangende toestemming tot wijziging verblijf op grond van artikel 1:336a BW

Beschikking op het op 20 januari 2026 ingekomen verzoek van:

de gecertificeerde instelling, William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
de voogdes (hierna ook: WSJ of de gecertificeerde instelling).
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de pleegmoeder] ,

de pleegmoeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

[de pleegvader] ,

de pleegvader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen, van de WSJ;
  • de brief van 4 maart 2026, met bijlagen, van de pleegouders;
De minderjarige [minderjarige] heeft in een gesprek met de kinderrechter zijn mening gegeven.
Op 11 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: [naam] namens de gecertificeerde instelling, de pleegouders en de moeder en de vader.

Feiten

- De moeder en de vader zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] .
  • De kinderrechter heeft bij beschikking van deze rechtbank van 17 augustus 2016 [minderjarige] van 17 augustus 2016 tot 31 augustus 2016 voorlopig onder toezicht van WSJ gesteld en WSJ gemachtigd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.
  • De kinderrechter heeft bij beschikking van deze rechtbank van 30 augustus 2016 [minderjarige] van 31 augustus 2016 tot 17 november 2016 voorlopig onder toezicht van WSJ gesteld en WSJ gemachtigd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.
  • De kinderrechter heeft bij beschikking van deze rechtbank van 14 november 2016 [minderjarige] onder toezicht van WSJ gesteld en WSJ gemachtigd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.
  • De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige] is steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van deze rechtbank van 9 november 2021 voor de duur van 14 november 2021 tot 14 november 2022.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 7 juli 2022 is het ouderlijk gezag van de moeder beëindigd over [minderjarige] en is WSJ benoemd tot voogd over [minderjarige] .
  • [minderjarige] verblijft sinds 25 maart 2017 bij de pleegouders.

Verzoek en verweer

De gecertificeerde instelling verzoekt de rechtbank op grond van artikel 1:336a lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) toestemming te verlenen tot wijziging in het verblijf van [minderjarige] naar [instelling 1] (hierna: de zorgboerderij), voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De pleegouders stemmen niet in met het verzoek.

Beoordeling

Standpunt WSJ
De gecertificeerde instelling heeft ter onderbouwing van het verzoek – kort samengevat – aangevoerd dat, hoewel er geen twijfel over bestaat dat de pleegouders en [minderjarige] veel van elkaar houden en er wederzijdse gehechtheid is, de draagkracht van het pleeggezin onder druk staat en de draagkracht en draaglast niet in overeenstemming zijn. Er zijn zorgen over de stabiliteit en houdbaarheid van de opvoedsituatie. De pleegvader heeft sinds 2023 twee keer aan de bel getrokken bij de gecertificeerde instelling en aangegeven dat de zorg voor [minderjarige] te zwaar is voor het gezin. De pleegvader is al geruime tijd overbelast waardoor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] volledig op het bord van de pleegmoeder komt. Daar komt bij dat [minderjarige] gelet op zijn problematiek juist extra vraagt van zijn opvoeders en verzorgers. Bovendien blijft het voor de gecertificeerde instelling een zorg dat de pleegouders [minderjarige] niet volledig accepteren zoals hij is en blijven inzetten op verdere behandeling terwijl het effect daarvan minimaal is. Er blijft sprake van onrealistische verwachtingen bijvoorbeeld met betrekking tot het onderwijsniveau. Om die reden was er in 2023 al sprake van dat [minderjarige] uit het pleeggezin geplaatst zou worden en in een accommodatie voor jeugdzorg zou gaan wonen. Toentertijd is daar van af gezien omdat er geen geschikte woonplek beschikbaar was en het vermoeden was dat een dergelijke ingrijpende wijziging van woonomgeving [minderjarige] meer kwaad dan goed zou doen. In de tussentijd zijn de zorgen over de draaglast en de draagkracht van het pleeggezin niet afgenomen, ondanks de geboden ondersteuning voor het gezin. Inmiddels woont [minderjarige] al in de weekenden niet meer in het pleeggezin maar afwisselend bij zijn vader en de zorgboerderij. [minderjarige] heeft het erg naar zijn zin bij de zorgboerderij en is daar beter in staat zich te ontwikkelen doordat hij daar fouten mag maken en meer dan in het pleeggezin positief bekrachtigd wordt.
Stanpunt pleegouders
De pleegouders zijn het niet eens met het verzoek van de gecertificeerde instelling. [minderjarige] voelt zich veilig bij hen en hij ziet hen als zijn ouders. Ook de band met zijn pleegbroer is hecht. De band met de biologische ouders is goed en wordt actief gefaciliteerd. [minderjarige] heeft veel ondersteuning nodig. Volgens de pleegouders is er geen sprake van dat zij [minderjarige] niet accepteren maar wensen zij dat er ook gekeken wordt naar wat [minderjarige] zou kunnen helpen bijvoorbeeld als het gaat om het omgaan met ADHD. De pleegouders ervaren al jarenlang dat de situatie van [minderjarige] en de ondersteuning die hij nodig heeft niet wordt onderkend door de hulpverlening en zij vinden dat WSJ en andere hulpverleners onvoldoende oog hebben voor [minderjarige] ’s behoeften. De pleegouders stellen dat [minderjarige] de stabiliteit en onvoorwaardelijke liefde van zijn gezin nodig heeft om verder te kunnen groeien en zich te ontwikkelen. Ze voelen zich in de steek gelaten door het jeugdzorgsysteem. De pleegvader geeft aan dat het pleeggezin hulp nodig heeft maar dat [minderjarige] ’s perspectief wat hem betreft bij hen thuis ligt. De pleegmoeder geeft aan dat hooguit een tijdelijke uithuisplaatsing helpend kan zijn maar dat zij in dat geval maximale omgang wil met [minderjarige] en dat terugkeer naar het gezin dan op de kortst mogelijke termijn moet plaatsvinden.
Wettelijk kader
Op grond van het bepaalde in artikel 1:336a BW geldt dat als een minderjarige voor de duur van ten minste een jaar is verzorgd en opgevoed door een ander of anderen dan zijn voogd, de voogd alleen met toestemming van diegenen die de verzorging en opvoeding op zich hebben genomen de verblijfsplaats van de minderjarige wijzigen. Indien die toestemming niet wordt verleend (blokkaderecht), kan de voogd aan de rechtbank verzoeken om die toestemming te vervangen. Dit wordt slechts ingewilligd indien de rechtbank dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk oordeelt.
Inhoudelijke beoordeling
De gecertificeerde instelling is de voogd van [minderjarige] . [minderjarige] woont al negen jaar in het pleeggezin. Dat betekent dus dat de gecertificeerde instelling instemming van de pleegouders behoeft om de verblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen. De pleegouders maken gebruik van hun blokkaderecht waardoor de gecertificeerde instelling vervangende toestemming aan de kinderrechter dient te verzoeken.
De rechtbank stelt bij de beoordeling het volgende voorop. [minderjarige] verblijft sinds 2017 bij de pleegouders. Uit het verslag van [instelling 2] uit december 2025 komt naar voren dat [minderjarige] een kwetsbare jongen is die op een laag sociaal-emotioneel en cognitief ontwikkelingsniveau functioneert. Hij is bekend met ADHD en heeft een grote behoefte aan voorspelbaarheid. Zijn beperkte ontwikkelingsniveau en temperament brengen mee dat hij vraagt veel van de personen die verantwoordelijk zijn voor zijn opvoeding en verzorging.
In het plan van aanpak van de gecertificeerde instelling komt verder naar voren dat [minderjarige] kampt met hechtingsproblematiek (ontremd sociaal contactstoornis). Dit uit zich bij hem in prikkelbaarheid, claimend en eisend in het contact en emotieregulatieproblemen. In januari 2024 is er door [instelling 2] , ADHD vastgesteld bij [minderjarige] . [minderjarige] heeft een cognitieve, motorische en spraaktaal achterstand, hypotonie/hypermobiliteit en dysmorf kenmerken. [minderjarige] heeft ook extra medische zorg nodig door een afwijking in zijn gen, namelijk het EED gen. Het EED gen kan ervoor zorgen dat iemand langer is dan zijn leeftijdsgenoten, botten sneller ‘oud’ worden, skeletafwijkingen kan hebben, afwijkingen aan het gezicht en nekwervels. Ook kan iemand een verstandelijke beperking hebben. [minderjarige] heeft door zijn kind eigen problematiek een bovengemiddelde opvoedvraag. Hierdoor heeft hij
extra behoefte aan nabijheid, emotionele steun, structuur, duidelijkheid en grenzen. Er is in het verleden verschillende hulpverlening binnen het pleeggezin ingezet, waaronder trajecten bij [instelling 2] , [instelling 3] en [instelling 4] . Ook hebben er medische en gedragsdeskundige trajecten bij het LUMC, Reinier de Graaf en [instelling 3] gelopen. Daarnaast is er buitenshuis ondersteuning georganiseerd waaronder naschoolse dagbehandeling/opvang en verblijft [minderjarige] in de weekenden niet langer bij het pleeggezin maar is hij het ene weekend bij zijn biologische vader en het andere weekend bij de zorgboerderij.
De zorgen rondom de opvoedsituatie en de belastbaarheid van het pleeggezin zijn de afgelopen jaren echter niet afgenomen, ondanks de brede en langdurige ondersteuning van het pleeggezin. Op de zitting is door de pleegvader ook aangegeven dat het pleeggezin al geruime tijd ernstig onder druk staat en de situatie voor hem niet langer houdbaar is. Volgens de pleegouders kan een tijdelijk verblijf van [minderjarige] elders voor de nodige adempauze zorgen.
De gecertificeerde instelling heeft op de zitting aangegeven dat er een groot risico is dat dit schadelijk voor [minderjarige] is. Een tijdelijke overplaatsing, zonder garantie dat de situatie binnen het pleeggezin na de adempauze structureel verbetert, brengt grotere risico’s mee dan nu [minderjarige] permanent over te plaatsen naar een plek die voor hem al bekend en waarvan het zeker is dat [minderjarige] daar op zijn plek is.
Dat is de rechtbank met de gecertificeerde instelling eens. Hoezeer de rechtbank ook ziet dat de pleegouders zich volledig voor [minderjarige] inzetten en zij hem alle liefde en aandacht geven die hij nodig heeft, is de situatie zo dat het voor met name de pleegvader niet meer vol te houden is, hij vreest voor zijn verdere gezondheid. Voorkomen moet worden dat die situatie verergert. Zoals ook in het verslag van [instelling 4] van 15 december 2025 naar voren komt blijven de zorgen bestaan over de overbelasting van de pleegouders en het risico dat
[minderjarige] , door overvraagd te worden, vastloopt in zijn ontwikkeling. En, zoals ook staat beschreven, bestaat, indien de huidige situatie voortduurt, het reële risico op een breakdown binnen het gezin, wat het (contact)herstel zou bemoeilijken en niet in het belang van [minderjarige] is. Een tijdelijke overplaatsing acht de rechtbank niet in het belang van [minderjarige] omdat dit er juist toe leidt dat hij meer dan eens van plek moet wisselen, terwijl dit bovendien geen garanties biedt dat de situatie in het pleeggezin daarna structureel verbetert. De rechtbank neemt hierin ook mee dat de zorgboerderij voor [minderjarige] een bekende en vertrouwde plek is en hij heeft aangegeven dat hij het fijn heeft op de zorgboerderij. Naar verwachting sluit deze plek momenteel het beste aan bij de behoeften van [minderjarige] en zal dit bijdragen aan zijn ontwikkeling.
De rechtbank benadrukt dat zij met deze beslissing niet beoogt de rol van de pleegouders in het leven van [minderjarige] te beëindigen. De pleegouders zijn al jaren de primaire verzorgers en hechtingsfiguren voor [minderjarige] en het is in ieders belang dat de bijzondere band die er is, behouden blijft. Het is aan de gecertificeerde instelling om zich, samen met de zorgboerderij, in te spannen voor het zoveel mogelijk betrokken laten blijven van de pleegouders en het mogelijk te maken dat er regelmatige contacten tussen de pleegouders en [minderjarige] blijven. Er kan gedacht worden aan verblijf bij de pleegouders tijdens de vakanties en weekenden, inclusief overnachtingen. Daarnaast acht de rechtbank het van groot belang dat overplaatsing van [minderjarige] zorgvuldig gebeurt en op een wijze die het meest past bij [minderjarige] en het meest in zijn belang is.

Beslissing

De rechtbank:
*
verleent de gecertificeerde instelling, William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering toestemming tot het wijzigen van het verblijf van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] , naar [instelling 1] (zorgboerderij);
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. C.A.E. de Koning als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 10 april 2026.