Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11295

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
C/09/679282 / FA RK 25-604
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 RvArt. 8 EVRMArt. 10:92 BWArt. 10:93 BWArt. 10:97 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontkenning juridisch vaderschap en gerechtelijke vaststelling biologisch vaderschap na IVF-traject

De moeder verzoekt de rechtbank om het juridisch vaderschap van de juridische vader te ontkennen en het vaderschap van de biologische vader gerechtelijk vast te stellen. De juridische vader is volgens Hongaars recht de vader omdat hij ten tijde van de geboorte met de moeder gehuwd was. De rechtbank past Hongaars recht toe en wijst het primaire verzoek tot ontkenning van het vaderschap af.

Subsidiair wordt het verzoek tot ontkenning van het vaderschap toegewezen omdat de juridische vader heeft ingestemd met de ontkenning en het kind is geboren uit een IVF-traject met de biologische vader. De rechtbank verklaart de moeder ontvankelijk ondanks dat het verzoek na de wettelijke termijn is ingediend, vanwege artikel 8 EVRM Pro.

Voor de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap past de rechtbank Nederlands recht toe omdat de moeder en de biologische vader in Nederland wonen. De moeder is niet ontvankelijk wegens overschrijding van de termijn, maar het kind is ontvankelijk vertegenwoordigd door een bijzondere curator. De rechtbank stelt het vaderschap van de biologische vader vast onder de voorwaarde dat de ontkenning van het juridisch vaderschap onherroepelijk is geworden.

De bijzondere curator wordt ontslagen en het verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad wordt afgewezen. De rechtbank wijst het meer of anders verzochte af.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot ontkenning van het juridisch vaderschap toe en stelt het vaderschap van de biologische vader gerechtelijk vast.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-604
Zaaknummer: C/09/679282
Datum beschikking: 10 april 2026
Ontkenning vaderschap, gerechtelijke vaststelling vaderschap
Beschikkingop het op 10 januari 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. N.J. Josipovic te Den Haag.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
ten aanzien van de ontkenning van het vaderschap:
[de juridische vader],
de juridische vader,
wonende op een onbekend adres in [land 1] ,
ten aanzien van de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
ten aanzien van beide onderwerpen:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats 1] ,
de [minderjarige] ,
in rechte vertegenwoordigd door mr. K. Moene, advocaat te Den Haag,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • de brief van 30 januari 2025 van de advocaat van de moeder, met als bijlagen de referteverklaringen namens [de juridische vader] en [de man] ;
  • het F9-formulier van 4 maart 2025 van de advocaat van de moeder, met bijlagen;
  • het verslag van de bijzondere curator van 7 april 2025;
  • het F9-formulier van 9 mei 2025 van de advocaat van de moeder.
Op 23 maart 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [de man] ;
  • de bijzondere curator.
[de juridische vader] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet op de zitting verschenen.
Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen:
  • het F9-formulier van de moeder van 25 maart 2026, met bijlagen;
  • het F9-formulier van de bijzondere curator van 26 maart 2026.
Verzoek
De moeder verzoekt:
Primair:
- een verklaring voor recht uit te spreken waarbij de erkenning gedaan door [de man] bindend is;
subsidiair:
  • uit te spreken de ontkenning van het door het huwelijk ontstane vaderschap van de juridiche vader met betrekking tot [minderjarige] ;
  • uit te spreken de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van [de man] met betrekking tot [minderjarige] ;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De bijzondere curator verzoekt om (na doorhaling erkenning):
  • in het geval de rechtbank de moeder niet ontvankelijk acht in haar verzoek tot ontkenning van het vaderschap: het verzoek tot ontkenning van het vaderschap van [de juridische vader] gegrond te verklaren;
  • in het geval de rechtbank de moeder niet ontvankelijk acht in haar verzoek tot vaststelling van het ouderschap en onder de voorwaarde dat de beslissing tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap onherroepelijk is geworden: het vaderschap van [de man] gerechtelijk vast te stellen.
Feiten
  • De moeder en [de juridische vader] zijn gehuwd op [datum 1] 2007 te [plaats] , [land 1] , welk huwelijk op [datum 2] 2022 is ontbonden.
  • De minderjarige [minderjarige] is op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats 1] geboren.
  • [de man] heeft [minderjarige] voorafgaande aan haar geboorte op 30 juli 2018 erkend.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 25 februari 2025 is mr. K. Moene voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde [minderjarige] ingevolge artikel 1:212 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) te vertegenwoordigen.
Beoordeling

Primair verzoek

Verklaring voor recht
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu verzoekster in Nederland woont, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht op grond van artikel 3 aanhef Pro en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Op grond van artikel 10:93 lid 1 juncto Pro artikel 10:92 lid 1 BW Pro wordt de vraag of een kind door geboorte in familierechtelijke betrekkingen komt te staan tot de vrouw uit wie het is geboren en de met haar gehuwde persoon bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de vrouw en die persoon.
De moeder stelt dat zij en [de juridische vader] de Hongaarse nationaliteit gemeenschappelijk hebben. De rechtbank past daarom Hongaars recht toe.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder heeft naar voren gebracht dat zij op 8 oktober 2024 een brief van de [gemeente] heeft ontvangen waarin wordt verzocht om ondertekening door de moeder en [de man] van een instemmingsverklaring om de erkenning door [de man] door te laten halen. De gemeente heeft op 1 november 2024 een tweede brief gestuurd, waarin wordt aangegeven dat de erkenningsakte ten onrechte is opgemaakt, nu de moeder in 2018 nog getrouwd was met [de juridische vader] . Volgens de gemeente moet [de juridische vader] worden opgenomen in de geboorteakte als de vader van [minderjarige] . Wanneer de moeder en [de man] deze instemmingsverklaring ondertekenen, zal [de juridische vader] , waarmee de moeder al jaren geen enkel contact heeft, opeens de juridische vader van haar dochter worden terwijl hij niet de verwekker is. [minderjarige] heeft [de juridische vader] nog nooit gezien. Deze situatie is onwenselijk. De moeder verzoekt daarom primair een verklaring voor recht uit te spreken waaruit volgt dat de erkenning gedaan door de biologische vader bindend is. De biologische werkelijkheid komt op dit moment overeen met de feitelijke/juridische werkelijkheid.
Het Hongaarse familierecht is neergelegd in ‘Act V of 2013 on the Civil Code’ (hierna: Civil Code). Ingevolge artikel 4:99 lid 1 van Pro de Civil Code wordt de man die gedurende de gehele of een deel van de periode vanaf de conceptie van het kind tot de geboorte van het kind met de moeder gehuwd was als vader beschouwd. De moeder was ten tijde van de geboorte van [minderjarige] nog met [de juridische vader] gehuwd. Naar Hongaars recht is [de juridische vader] dus de juridische vader van [minderjarige] . Dat betekent dat de erkenningsakte van de heer [de man] ten onrechte is opgemaakt en aan de geboorteakte gehecht. De rechtbank zal het primaire verzoek van de moeder daarom afwijzen.

Subsidiair verzoek

Ontkenning vaderschap
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu verzoekster in Nederland woont, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht op grond van artikel 3 aanhef Pro en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Op grond van artikel 10:93 lid 1 juncto Pro artikel 10:92 lid 1 BW Pro wordt de vraag of en onder welke voorwaarden het vaderschap van een man kan worden ontkend in beginsel bepaald door het recht dat van toepassing is op het ontstaan van de familierechtelijke betrekking, te weten het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de vader en de moeder ten tijde van de geboorte van het kind, of, indien dit ontbreekt, door het recht van de staat van hun gemeenschappelijke gewone verblijfplaats ten tijde van de geboorte van het kind, of, indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind.
De rechtbank past Hongaars recht toe op het verzoek, zijnde het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de moeder en [de juridische vader] .
Ontvankelijkheid
Uit artikel 4:109 lid 3 in Pro samenhang met 4:111 lid 1 van de Civil Code volgt dat de moeder de mogelijkheid heeft om (mede namens het kind) tot het derde levensjaar van het kind een verzoek tot ontkenning in te dienen. Nu [minderjarige] ten tijde van het indienen van het verzoekschrift ouder dan drie jaar was, is de moeder in beginsel niet ontvankelijk in haar verzoek. Andere rechthebbenden kunnen het vermoeden van vaderschap aanvechten binnen één jaar na de datum waarop het vermoeden van vaderschap is ontstaan.
In het derde lid van artikel 4:111 is Pro vastgelegd dat, indien het aangaan van het proces niet heeft plaatsgevonden tot het bereiken van de meerderjarige leeftijd van het kind, het kind daarna binnen één jaar het proces zelfstandig aan kan gaan.
De rechtbank overweegt dat de moeder op grond van artikel 8 EVRM Pro alsnog ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoek. Het stellen van een termijn aan de ontkenning van het vaderschap is op zichzelf niet in strijd met artikel 8 EVRM Pro. De gestelde termijn moet echter evenredig zijn ten aanzien van het beoogde doel, namelijk rechtszekerheid over het bestaan van familiebanden en het voorkomen dat onzekerheid van het kind over zijn afstamming onnodig lang duurt. In dit geval wordt de rechtszekerheid niet gediend met de gestelde termijn en voorkomt deze evenmin de langere onzekerheid van het kind. Integendeel, [minderjarige] kan de benodigde duidelijkheid niet verkrijgen door de termijn die aan haar en de moeder gesteld wordt, terwijl zij zelf na haar minderjarigheid alsnog een verzoek tot ontkenning van het vaderschap kan doen. Strikte handhaving van de geldende termijn voor de moeder levert naar het oordeel van de rechtbank daarom een ongerechtvaardigde inmenging in het familieleven van [minderjarige] . De rechtbank zal de gestelde termijn daarom buiten toepassing laten.
Inhoudelijke beoordeling
Ingevolge artikel 4:107 lid 1 van Pro de Civil Code kan het vaderschap worden aangevochten indien de persoon wiens vaderschap wordt verondersteld, geen seksuele gemeenschap met de moeder had op het moment van de conceptie of het anderszins onmogelijk is dat het kind van hem afkomstig is.
Volgens de moeder en [de man] bestaat er geen twijfel over dat [de man] de biologische vader is van [minderjarige] en daarmee dus dat [de juridische vader] niet de verwekker is van [minderjarige] . De moeder heeft sinds 2013 een relatie gehad met [de man] . Van 2013 tot 2019 hebben zij samengewoond. Sindsdien hebben zij een LAT relatie. [minderjarige] is geboren met behulp van een IVF-traject. De moeder heeft in dat kader na afloop van de zitting aanvullende stukken ingediend, namelijk medische dossiers van de moeder en [de man] en de brief van het [ziekenhuis] van 7 maart 2023 gericht aan de moeder en [de man] over de nog ingevroren embryo’s. De moeder en [de man] hebben aangegeven dat [minderjarige] niet op de hoogte is van deze procedure en dat zij haar daarom niet willen blootstellen aan een DNA-onderzoek.
De rechtbank overweegt allereerst dat [de juridische vader] heeft ingestemd met toewijzing van het verzoek tot ontkenning van het vaderschap. De moeder stelt [de juridische vader] sinds het verbreken van hun relatie niet meer te hebben gezien. De rechtbank acht aan de hand van hetgeen op de zitting is besproken met de moeder en [de man] en de aanvullende stukken die de moeder ter onderbouwing daarvan nog heeft ingediend, bovendien voldoende aangetoond dat [minderjarige] is geboren uit een IVF-traject dat door de moeder en [de man] gezamenlijk is doorlopen. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank ervan overtuigd dat [de juridische vader] niet de verwekker of biologische vader is van [minderjarige] . De rechtbank zal het verzoek tot ontkenning van het vaderschap daarom toewijzen.
Gerechtelijke vaststelling vaderschap
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu verzoekster in Nederland woont, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht op grond van artikel 3 aanhef Pro en onder a Rv.
Of en onder welke voorwaarden ouderschap van een persoon gerechtelijk kan worden vastgesteld, wordt krachtens artikel 10:97 BW Pro bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van die persoon en de moeder of, indien dit ontbreekt, door het recht van de staat waar die persoon en de moeder elk hun gewone verblijfplaats hebben of, indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind.
De moeder en [de man] hebben geen gemeenschappelijke nationaliteit. De moeder en [de man] hebben ten tijde van de indiening van het verzoekschrift in Nederland hun gewone verblijfplaats. De rechtbank zal daarom Nederlands recht toepassen op het verzoek.
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 1:207 lid 1 BW Pro kan een verzoek tot gerechtelijke vaststelling vaderschap worden gedaan door de moeder, tenzij het kind de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, of door het kind.
Op grond van artikel 1:207 lid 3 BW Pro wordt het verzoek door de moeder ingediend binnen vijf jaren na de geboorte van het kind of, in geval van onbekendheid met de identiteit van de vermoedelijke verwekker dan wel van onbekendheid met zijn verblijfplaats, binnen vijf jaren na de dag waarop de identiteit en de verblijfplaats aan de moeder bekend zijn geworden.
De moeder heeft het verzoek niet binnen vijf jaren ingediend, zodat de moeder niet-ontvankelijk is in haar verzoek. Voor het kind geldt geen vervaltermijn. [minderjarige] is daarom wel ontvankelijk in het namens haar door de bijzondere curator gedane verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
Op grond van artikel 1:207 lid 1 BW Pro kan het ouderschap van een persoon door de rechtbank worden vastgesteld op de grond dat deze de verwekker is van het kind of op de grond dat deze als levensgezel van de moeder ingestemd heeft met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad,
De rechtbank is er op basis van de verklaringen van de moeder en [de man] en de stukken betreffende het IVF-traject van overtuigd dat [de man] als levensgezel van de moeder heeft ingestemd met een daad die de verwekking van [minderjarige] tot gevolg kan hebben gehad.
Nu van overige bezwaren als bedoeld in artikel 1:207 BW Pro niet is gebleken ligt het verzoek van de moeder – onder de voorwaarde dat de beslissing tot de gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap onherroepelijk is geworden – voor toewijzing gereed.
Ontslag bijzondere curator
Uit de te nemen beslissing volgt dat de vertegenwoordiging van [minderjarige] door de bijzondere curator niet meer nodig is. De rechtbank zal de bijzondere curator daarom ontslaan uit zijn functie.
Uitvoerbaarverklaring bij voorraad
De aard van de zaak verzet zich tegen het bij voorraad uitvoerbaar verklaren van deze beschikking, zodat het daartoe strekkende verzoek wordt afgewezen.
Beslissing
De rechtbank:
*
verklaart gegrond het verzoek van de moeder tot ontkenning van het vaderschap van:
- [de juridische vader] , zonder bekende geboortedatum- en plaats;
over de minderjarige:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats 1] ;
uit:
- [de moeder] , geboren op [geboortedatum 2] 1987 te [geboorteplaats 3] , [land 1] ;
*
stelt –
onder de voorwaarde dat de beslissing tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap onherroepelijk is geworden– vast het vaderschap van [de man] , geboren op [geboortedatum 3] 1971 te [geboorteplaats 2], [land 2], over voornoemde minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats 1];
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. R.P. Bas als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 10 april 2026.