In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedaan op 6 januari 2026, gaat het om een opvolgend beroep van eisers tegen de minister van Asiel en Migratie. De eisers hebben aangevoerd dat de minister niet tijdig heeft beslist op hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank heeft eerder de minister opgedragen om uiterlijk 29 september 2025 een beslissing te nemen, maar deze termijn is niet nageleefd. De rechtbank heeft de zaak zonder zitting beoordeeld en vastgesteld dat het dossier mogelijk niet compleet is, omdat de minister nog documenten moet beoordelen. Desondanks heeft de rechtbank bepaald dat de minister binnen vier weken na de bekendmaking van deze uitspraak een beslissing moet nemen. Indien de minister deze termijn overschrijdt, moet hij een dwangsom van € 100,- per dag betalen, met een maximum van € 15.000,-. Daarnaast is de minister veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van eisers, vastgesteld op € 467,-, en het griffierecht van € 194,-. De uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, in aanwezigheid van griffier K.D.M. Nijholt, en is openbaar gemaakt op rechtspraak.nl.