De moeder verzoekt de rechtbank om het gezamenlijk gezag over de minderjarige kinderen te beëindigen en haar het eenhoofdig gezag toe te kennen. De vader, die geëmigreerd is en als niet-ingezetene staat ingeschreven, heeft geen verweer gevoerd en is niet verschenen op de zitting. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder en de ouders oefenden tot op heden gezamenlijk gezag uit.
De rechtbank overweegt dat het contact tussen de ouders zeer beperkt is, waardoor noodzakelijke gezagsbeslissingen niet tijdig kunnen worden genomen. Voorbeelden zijn het bijna niet doorgaan van een reis van een van de kinderen en vertraging in hulpverlening vanwege het ontbreken van toestemming van de vader. De kinderen lijden onder deze situatie en zijn teleurgesteld in de vader. De vader heeft nauwelijks contact met de kinderen en is onvoldoende op de hoogte van hun leven om weloverwogen beslissingen te nemen.
Gezien deze omstandigheden en het belang van de kinderen acht de rechtbank het noodzakelijk het gezag te wijzigen. De moeder krijgt het eenhoofdig gezag toegewezen, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De beschikking is uitgesproken op 31 maart 2026 door kinderrechter A.P. de Klerk.