Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11343

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
C/09/683843 / FA RK 25-2923
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BWArt. 1:251a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning eenhoofdig gezag aan moeder over minderjarige kinderen na beëindiging gezamenlijk gezag

De moeder verzoekt de rechtbank om het gezamenlijk gezag over de minderjarige kinderen te beëindigen en haar het eenhoofdig gezag toe te kennen. De vader, die geëmigreerd is en als niet-ingezetene staat ingeschreven, heeft geen verweer gevoerd en is niet verschenen op de zitting. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder en de ouders oefenden tot op heden gezamenlijk gezag uit.

De rechtbank overweegt dat het contact tussen de ouders zeer beperkt is, waardoor noodzakelijke gezagsbeslissingen niet tijdig kunnen worden genomen. Voorbeelden zijn het bijna niet doorgaan van een reis van een van de kinderen en vertraging in hulpverlening vanwege het ontbreken van toestemming van de vader. De kinderen lijden onder deze situatie en zijn teleurgesteld in de vader. De vader heeft nauwelijks contact met de kinderen en is onvoldoende op de hoogte van hun leven om weloverwogen beslissingen te nemen.

Gezien deze omstandigheden en het belang van de kinderen acht de rechtbank het noodzakelijk het gezag te wijzigen. De moeder krijgt het eenhoofdig gezag toegewezen, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De beschikking is uitgesproken op 31 maart 2026 door kinderrechter A.P. de Klerk.

Uitkomst: De rechtbank kent het eenhoofdig gezag toe aan de moeder over de minderjarige kinderen en verklaart dit uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-2923
Zaaknummer: C/09/683843
Datum beschikking: 31 maart 2026

Gezag

Beschikking op het op 9 april 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.W. Kuiper in ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
als niet ingezetene ingeschreven in de Registratie Niet Ingezetenen (RNI), geëmigreerd op
[datum 1] 2025.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift, met bijlagen, namens de moeder.
Op 3 maart 2026 is de zaak op zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat. De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hun mening over het verzoek gegeven in een gesprek met de rechter.

Feiten

- De vader en de moeder zijn gehuwd geweest van [datum 2] 2005 tot [datum 3] 2018.
- Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats 1] ;
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 in [geboorteplaats 1] .
- De kinderen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt te bepalen dat haar voortaan alleen het gezag over de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] toekomt, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft geen verweer gevoerd.

Beoordeling

Wettelijk kader
Volgens artikel 1:253n lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag dat is ontstaan tijdens hun huwelijk beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. Op grond van lid 2 van dit artikel zijn de gronden van artikel 1:251a lid 1 BW, van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan daarom worden beëindigd, indien: (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank zal de moeder belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen. Daarvoor heeft de rechtbank de volgende redenen. Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is gebleken dat het contact tussen de ouders heel beperkt is. Als gevolg daarvan loopt de moeder er in de praktijk tegenaan dat gezagsbeslissingen niet met de daarvoor benodigde voortvarendheid kunnen worden genomen. Zo kon een reis van [minderjarige 1] bijna niet doorgaan doordat de vader hier geen toestemming voor gaf en kwam hulp voor [minderjarige 2] bij de Opvoedpoli met vertraging op gang omdat toestemming van de vader ontbrak. Gebleken is dat de kinderen gebukt gaan onder deze situatie en teleurgesteld zijn in de opstelling van de vader. De vader heeft al geruime tijd geen contact meer met [minderjarige 1] en hij heeft maar af en toe contact met [minderjarige 2] . De vader is nauwelijks op de hoogte van wat er in zich in het leven van de kinderen afspeelt waardoor hij niet of nauwelijks in staat kan worden geacht om weloverwogen beslissingen in het belang van de kinderen te kunnen nemen of daarover mee te denken. De vader heeft bovendien via whatsapp aan de moeder laten weten dat hij zich neerlegt bij het eenhoofdig gezag van de moeder. De rechtbank is van oordeel dat het, gelet op deze situatie, in het belang van de kinderen noodzakelijk is dat het gezag wordt gewijzigd, zodat de moeder gezagsbeslissingen voortaan zelfstandig kan nemen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de moeder toewijzen.

BeslissingDe rechtbank bepaalt dat voortaan alleen [de moeder] , geboren op [geboortedatum 3] 1978 in [geboorteplaats 2] , het gezag zal toekomen over de minderjarigen:

  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats 1] ;
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 in [geboorteplaats 1] ;
en verklaart deze gezagsvoorziening uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, kinderrechter, bijgestaan door mr. C.A.E. de Koning als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 31 maart 2026.