ECLI:NL:RBDHA:2026:11353

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
AWB 24/8262
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.3 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 6.5a Vreemdelingenbesluit 2000Art. 66a VreemdelingenwetArtikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling inreisverbod van twee jaar wegens overschrijding vrije termijn

Eiser, een Amerikaanse nationaliteit dragende vreemdeling, heeft de Europese Unie op 15 maart 2024 verlaten nadat was vastgesteld dat hij geen rechtmatig verblijf meer had en de vrije termijn van 90 dagen met meer dan drie dagen had overschreden. Verweerder legde op die datum een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar op. Eiser stelde beroep in tegen het inreisverbod en voerde bijzondere omstandigheden aan, waaronder de zorg voor zijn familie na het overlijden van zijn grootmoeder.

De rechtbank stelde vast dat eiser geen rechtsmiddelen had aangewend tegen het terugkeerbesluit en dat dit besluit in rechte vaststaat. Ook erkende eiser de overschrijding van de vrije termijn. De rechtbank oordeelde dat verweerder daarom terecht het inreisverbod van twee jaar heeft opgelegd. De door eiser aangevoerde bijzondere omstandigheden waren onvoldoende onderbouwd en boden geen grond om af te zien van het inreisverbod.

Verder concludeerde de rechtbank dat het inreisverbod geen schending van artikel 8 EVRM Pro oplevert, omdat eiser niet concreet had toegelicht hoe het inreisverbod zijn familiezorg belemmert. De rechtbank wees erop dat het inreisverbod op 15 maart 2026 afliep, waarna eiser weer de Europese Unie mocht betreden. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod van twee jaar is ongegrond verklaard en het inreisverbod is terecht opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/8262
V-nummer: [v nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. N.F. van der Gouw).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over het aan eiser uitgevaardigde inreisverbod voor de duur van twee jaar. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder het inreisverbod terecht aan eiser heeft uitgevaardigd.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder terecht het inreisverbod aan eiser heeft uitgevaardigd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiser is geboren op [geboortedag] 1973 en heeft de Amerikaanse nationaliteit. Eiser heeft de Europese Unie op 15 maart 2024 verlaten. Bij de uitreiscontrole is vastgesteld dat hij toen geen rechtmatig verblijf meer had. Eiser heeft de vrije termijn met meer dan drie dagen overschreden.
2.2.
Verweerder heeft aan eiser op 15 maart 2024 een terugkeerbesluit opgelegd. Verweerder heeft aan eiser ook een voornemen uitgereikt om aan hem een inreisverbod uit te vaardigen. Eiser heeft geen zienswijze ingediend tegen dit voornemen.
2.3.
Met het besluit van 15 april 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. De griffier heeft eiser voor de zitting een mail gestuurd met de vraag of hij digitaal wilde deelnemen aan de zitting. Eiser heeft hier niet op gereageerd en heeft niet deelgenomen aan de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

3.1.
De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar heeft uitgevaardigd.
3.2.
Het is voor vreemdelingen die voor een verblijf van niet langer dan 90 dagen naar Nederland zijn gekomen toegestaan om 90 dagen in Nederland te verblijven (de vrije termijn). [1] Verweerder kan een inreisverbod uitvaardigen tegen een vreemdeling die de vrije termijn met meer dan drie dagen heeft overschreden en die Nederland niet onmiddellijk hoeft te verlaten. [2] De duur van het inreisverbod bedraagt ten hoogste twee jaren. [3] In het geval dat de vrije termijn met meer dan 90 dagen is overschreden, wordt een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twee jaar. [4] Verweerder kan om humanitaire of andere redenen afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod. [5] Aan een vreemdeling wordt geen inreisverbod uitgevaardigd als dit een schending van artikel 8 van Pro het EVRM [6] betekent. [7]
3.3.
Eiser erkent dat hij de termijn voor zijn verblijf in Nederland heeft overschreden. Eiser wijst echter op de bijzondere omstandigheden: hij moest zijn familie helpen na het overlijden van zijn grootmoeder. Door het inreisverbod kan hij niet meer goed voor zijn familie zorgen. Eiser voert aan dat hij altijd heeft voldaan aan de visumvoorwaarden. Hij is financieel in staat om zichzelf te onderhouden. Eiser verzoekt om het inreisverbod op te heffen, of in ieder geval terug te brengen naar één jaar.
3.4.
De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat eiser geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het op 15 maart 2024 opgelegde terugkeerbesluit. Het terugkeerbesluit staat dan ook in rechte vast. Eiser heeft per die datum ook voldaan aan de terugkeerverplichting. De rechtbank stelt verder vast dat eiser ook niet heeft betwist dat hij de termijn voor zijn verblijf in Nederland heeft overschreden. Vast staat dus dat eiser de vrije termijn heeft overschreden. Voor verweerder bestond dan ook de mogelijkheid om aan eiser een inreisverbod op te leggen voor de duur van twee jaar.
3.5.
Het is de rechtbank verder niet gebleken dat het uitvaardigen van een inreisverbod een schending van artikel 8 van Pro het EVRM oplevert. Eiser heeft wel aangevoerd dat hij door het inreisverbod niet meer goed voor zijn familie kan zorgen, maar heeft niet toegelicht hoe de zorg voor zijn familie eruit ziet en heeft deze stelling verder op geen enkele wijze onderbouwd. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat verweerder om andere redenen had moeten afzien van het uitvaardigen van het inreisverbod.
3.6.
De rechtbank merkt ten overvloede op dat de gemachtigde van verweerder op de zitting heeft medegedeeld dat het inreisverbod op 15 maart 2026 afliep. Eiser mocht vanaf die datum de Europese Unie dus weer in.
3.7.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder aan eiser terecht het inreisverbod heeft uitgevaardigd. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.G.A Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 3.3, eerste lid, onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
2.Dit volgt uit paragraaf A4/2.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) en artikel 66a, tweede lid, van de Vw.
3.Artikel 6.5a, eerste lid, van het Vb in samenhang gelezen met artikel 66a, vierde lid, van de Vw.
4.Dit volgt uit paragraaf A4/2.3. van de Vc.
5.Op grond van artikel 66a, achtste lid, van de Vw, in afwijking van het eerste lid.
6.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
7.Dit volgt uit paragraaf A4/2.2. van de Vc.