ECLI:NL:RBDHA:2026:1138

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
09/214187-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 57 SrArt. 157 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor brandstichting met levensgevaar en vernielingen in Den Haag

Op 13 juli 2025 ontstond een uitslaande brand in de woning van de moeder van de verdachte te Den Haag, veroorzaakt door de verdachte die experimenteerde met drugs en wasbenzine. De brand veroorzaakte gevaar voor de woning, omliggende woningen en aanwezige personen. Daarnaast vernielde de verdachte een computerscherm en muis in een ziekenhuis en een raam van een woning.

De verdachte bekende de feiten, maar ontkende opzet op de brandstichting. De rechtbank oordeelde dat sprake was van voorwaardelijk opzet, omdat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat brand zou ontstaan. De verdachte verkeerde ten tijde van de feiten in een drugsgeïnduceerde psychose, maar was niet volledig ontoerekeningsvatbaar.

De rechtbank veroordeelde de verdachte tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 20 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van drie jaar. De bijzondere voorwaarden omvatten klinische opname, behandeling, gedragsbeïnvloeding en toezicht door de reclassering. Een TBS-maatregel werd niet opgelegd vanwege het bestaan van een passend lichter alternatief.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 20 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van drie jaar.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/214187-25
Datum uitspraak: 21 januari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1993 te [geboorteplaats 1] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats 1] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 7 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Grimmelikhuijsen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. A.T.C. Castermans naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 13 juli 2025 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland in een woning gelegen
aan de [adres 1] , opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door open vuur in aanraking te brengen met (was)benzine en/of een andere brandbare stof en/of het matras en/of het(stapel)bed en/of de vloer, terwijl daarvan
gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten
- de woning en/of de inboedel van voornoemde woning en/of
- de aangrenzende/omliggende woningen en/of inboedels van die woningen te duchten was
en/of
levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten
- de in voornoemde woning aanwezige personen ( [naam 1] ) en/of
- de in de aangrenzende/omliggende woningen aanwezige personen te duchten was;
2
hij op of omstreeks 13 juli 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een computerbeeldscherm en een computermuis, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan het ziekenhuis Medisch Centrum Haaglanden, toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
3
hij op of omstreeks 13 juli 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk het raam van de woning aan de [adres 2] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [naam 2] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Opgave van bewijsmiddelen met betrekking tot feit 2 en feit 3
De rechtbank zal voor de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer 2025234256, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-West, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 99 van het proces-verbaal voorgeleidingsdossier dan wel pagina 1 t/m 28 van het vervolg proces-verbaal).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
Ten aanzien van feit 2:
1. het proces-verbaal van aangifte door [naam 3] , opgemaakt op 13 juli 2025 (p. 50 proces-verbaal voorgeleidingsdossier);
2. de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 7 januari 2026.
Ten aanzien van feit 3:
3. het proces-verbaal van aangifte door [naam 2] , opgemaakt op 13 juli 2025, (p. 46 en 47 proces-verbaal voorgeleidingsdossier);
4. de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 7 januari 2026.
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie met betrekking tot feit 1
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde.
3.3.
Het standpunt van de verdediging met betrekking tot feit 1
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen met betrekking tot feit 1
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer 2025234256, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-West, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 99 van het proces-verbaal voorgeleidingsdossier dan wel pagina 1 t/m 28 van het vervolg proces-verbaal).
1. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 13 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 53 proces-verbaal voorgeleidingsdossier):
Op 13 juli 2025, omstreeks 02:45 uur, kregen wij van het Operationeel Centrum de melding om te gaan naar de [adres 1] te 's-Gravenhage. Aldaar zou er een brand in de woning zijn.
Wij kwamen als eerste ter plaatse. Ik zag enorme vlammen uit het raam van de woning op de bovenste verdieping van het portiek komen. Voor het portiek stonden diverse mensen. Ik nam de bewoonster van [adres 1] apart. De bewoonster was: [naam 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1963 te [geboorteplaats 2] .
Ik vroeg naar de oorzaak van de brand. Ik hoorde dat [naam 1] zei tegen mij dat haar zoon brand had gesticht in zijn slaapkamer en dat hij vervolgens de woning had verlaten. De zoon van [naam 1] is: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1993 te [geboorteplaats 1] .
2. Het proces-verbaal van aangifte door [naam 4] , opgemaakt op 13 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 9 en 10 proces-verbaal voorgeleidingsdossier):
Op zondag 13 juli 2025, omstreeks 02.00 uur was ik in mijn woning op de [adres 3] te 's-Gravenhage. Op dat moment lag ik te slapen. Ik werd wakker van een harde knal. Ik keek uit mijn raam en zag het licht/ de kleur van brand van boven komen.
Ik stond voor mijn woning en zag vanuit het raam van mijn bovenburen vlammen vanuit het raam komen.
Ik heb op dit moment erge schade door de brand en het water van het blussen. Het plafond van de slaapkamer is naar beneden gekomen door het water. Door het blussen van de brand is mijn matras helemaal nat geworden en niet meer te gebruiken. In de woonkamer heb ik ook een plek op het plafond wat nat is. Mijn kleed van de woonkamer is nat door het blussen.
3. Het proces-verbaal van aangifte door [naam 5] , opgemaakt op 13 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 29 en 30 proces-verbaal voorgeleidingsdossier):
Ik ben woonachtig aan de [adres 4] te 's-Gravenhage. Op 13 juli 2025 was ik aan het slapen. Ik werd wakker van sirenes welke dichtbij stopten. Er werd op mijn raam geklopt door de brandweer. De brandweer zei dat ik op tijd de woning uit moest, omdat er bovenin het portiek brand was. Mijn man en ik waren samen thuis. Ik heb mijn man erover gesproken. Hij is ook pas wakker geworden van de sirenes.
Ik heb waterschade aan mijn plafond op verschillende plekken in mijn huis. Zo is het plafond verkleurd en de latjes tegen het plafond gaan bol staan en laten los.
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 14 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 62 proces-verbaal voorgeleidingsdossier):
Op zondag 13 juli 2025, omstreeks 04.10 uur kregen wij verbalisanten, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] een melding op de [adres 2] in Den Haag. Ter plaatse zagen wij een man op blote voeten voor een woning staan. De man bleek [verdachte] te zijn, geboren op [geboortedatum 1] 1993 te [geboorteplaats 1] . [verdachte] bleek in ernstig verwarde toestand. [verdachte] verklaarde aan ons het volgende nadat ik hem de cautie had verteld. Ik heb zojuist een brand gesticht op de [adres 1] in Den Haag bij mijn moeder. Ik wilde crack roken met een lepel. Hierbij heb ik wasbenzine gepakt en heb ik mijn stapelbed in de fik gestoken. Ik ben nadat dit gebeurde mijn trui gaan pakken en uit de woning gegaan. Mijn moeder lag nog in haar bed aan de andere kant van de woning. Ik heb haar niet wakker gemaakt. Ik ben weggegaan.
5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 13 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 64 proces-verbaal voorgeleidingsdossier):
Op zondag 13 juli 2025 omstreeks 04.10 uur bevond ik, verbalisant, mij in mijn hoedanigheid als surveillancehondengeleider in een dienstvoertuig op de Lijnbaan te Den Haag. Op dat moment hoorde ik dat de centralist van het OC Den Haag een eenheid stuurde naar de [adres 2] te Den Haag. Ter plaatse troffen wij een man welke later [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1993 te [geboorteplaats 1] , bleek te zijn. [verdachte] gaf aan dat hij blij was dat wij er waren, want er moest nu wel eindelijk eens iets gebeuren. Op mijn vraag wat er dan moest gebeuren antwoordde [verdachte] onder andere dat hij zich aan wilde geven. Vervolgens vroeg ik waarom hij zich aan wilde geven en hierop gaf hij aan dat hij het huis van zijn moeder in brand had gestoken.
6. Het proces-verbaal forensisch onderzoek woning, opgemaakt op 16 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 4 tot en met 8 vervolg proces-verbaal):
Op maandag 14 juli 2025 kregen wij, verbalisanten, het verzoek naar aanleiding van een melding van een woningbrand, voor een forensisch onderzoek naar de locatie [adres 1] , te gaan.
De [adres 1] betreft een portiekwoning. De portiek bestaat uit zes woningen, drie bouwlagen, twee woningen op de begane grond en een trapopgang naar de eerste verdieping. Er bevinden zich twee woningen op de eerste verdieping en twee woningen op de tweede verdieping.
Boven aan de trapopgang naar de woonlaag bevindt zich een overloop. Gezien vanaf de bovenzijde van de trapopgang, van links naar rechts, bevinden zich de volgende ruimtes:
- wc;
- slaapkamer 1 (achterzijde woning) ;
- keuken (achterzijde woning) ;
- woonkamer;
- berging (voorzijde woning) ;
- slaapkamer 2 (voorzijde woning) ;
- inpandige kast met Cv-ketel .
Na de eerste rondgang door de woning, zagen wij, verbalisanten, aan de hand van brandpatronen en brandverloopindicatoren dat het ontstaansgebied in slaapkamer 2 bevond. Wij zagen in alle overige ruimtes roetafzetting en breuken van hitte inwerking in het plafond, muren en glas.
Gezien het brandbeeld, brandpatronen en brandverloopindicatoren kan worden geconcludeerd dat de brand in slaapkamer 2 op de vloer, onder de hoogslaper, was ontstaan.
Een natuurlijke oorzaak is onwaarschijnlijk gezien de weersomstandigheden en het tijdstip, namelijk in de nacht, waardoor een loep werking van de zon uit werd gesloten. Er waren geen indicaties gevonden tijdens het onderzoek wat kon wijzen op broei.
In het ontstaansgebied werden geen indicaties gevonden voor een technische oorzaak. De brand kan niet anders zijn ontstaan dan door menselijk handelen. Mogelijk zou kunnen zijn dat de "Zippo" vloeistof is gebruikt om de brand te doen versnellen.
In deze casus was er een gemeen gevaar voor goederen, te duchten/ontstaan door het doen laten branden van één en of meerdere goederen in slaapkamer 2, zoals bedoeld in artikel 157 en Pro 158 onder 1e lid van het Wetboek van Strafrecht. Hierdoor was schade ontstaan aan de woning en ondergelegen woningen. Tevens was er in deze casus een levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten/ontstaan, zoals bedoelt in artikel 157 en Pro 158 onder 2e lid van het Wetboek van Strafrecht, aangezien er hitte en vuur aanwezig waren, waardoor er rook ontwikkelde en meerdere ruimtes in de woning vol rook stonden.
7. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 13 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 81 proces-verbaal voorgeleidingsdossier):
Ten tijde van het verhoor werd duidelijk, dat de verdachte in een zodanig psychische staat verkeerde, dat er geen consistent gesprek tot stand kon komen en derhalve dit niet in een proces-verbaal van verhoor verdachte kon worden gerelateerd. In overleg met mr. A.C.T. Castermans werd besloten om de auditieve opname van het verhoor zo nauwkeurig mogelijk uit te werken en bij het dossier te voegen.
p. 82 e.v. Bijlage verhoor verdachte:
R1: maar goed terug naar het ruitje, je zegt er is een brand ontstaan in die woning. Hoe is dat gekomen?
V: ja door baldadig experimenteren met manieren van drugsverwerking of wat dan ook. Ik was naar mijn moeder te gaan omdat ik al die sleutels had, ik had een manische episode.
R1: even terug naar dat huis ja.
V: Maar toen ik denk dat het met elkaar te maken heeft. Toen dat hele kleine korreltje crack op die folie, want toen probeerde ik dat zo, dat werd dan heet.
R1: Waardoor werd dat heet?
V: Van de onderkant, op het aluminiumfolietje, hou je dus aan de onderkant vuur.
Waardoor de brand is ontstaan, is dat ik al die crack in de pijphoofd heb gestopt.
Daar zat aluminium, want ik rook crack op een andere manier dan meestal, want ik haat gages.
En daar heb ik toen die benzine.
8. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 7 januari 2026, voor zover inhoudende:
Ik ben naar bed gegaan. Ik rookte in die tijd veel drugs. Ik kan mij herinneren dat ik op een gegeven moment vanuit de hoogslaper naar beneden keek en veel vuur zag. Ik ben uit bed gesprongen.
3.5.
Bewijsoverwegingen
De raadsvrouw heeft verweer gevoerd inhoudende dat niet kan worden bewezen dat sprake was van opzettelijke brandstichting, aangezien op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld hoe de brand exact is ontstaan. Het forensisch onderzoek biedt geen uitsluitsel en de verdachte heeft hier volgens de raadsvrouw ook niet eenduidig over verklaard.
Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.
In de nacht van 13 juli 2025 heeft in de woning aan de [adres 1] een uitslaande brand gewoed die uiteindelijk is geblust door de brandweer. Uit het proces-verbaal forensisch onderzoek woning blijkt dat deze brand, gezien het brandbeeld, de brandpatronen en de brandverloopindicatoren in slaapkamer 2 (aan de voorkant van de woning), op de vloer, onder de hoogslaper, is ontstaan. Een natuurlijke oorzaak wordt onwaarschijnlijk geacht. In het ontstaansgebied van de brand zijn geen indicaties gevonden voor een technische oorzaak. De brand kan niet anders zijn ontstaan dan door menselijk handelen.
De rechtbank concludeert op basis van de uitkomsten van het voornoemd proces-verbaal dat de enige mogelijkheid voor het ontstaan van de brandhaard is dat deze door menselijk handelen is gesticht.
De vraag is vervolgens of het de verdachte is geweest die de brand, al dan niet opzettelijk, heeft gesticht. Daarbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte heeft verklaard dat hij in de nacht van 13 juli 2025 in voornoemde slaapkamer heeft verbleven en dat hij hier met gebruik van wasbenzine heeft geëxperimenteerd met (het aansteken van) harddrugs.
Tijdens zijn politieverhoor, bij zijn verhoor door de rechter-commissaris en toen hij diezelfde nacht door de politie werd staande gehouden naar aanleiding van een melding van een verbroken ruit, heeft de verdachte verklaard dat hij brand had gesticht in de woning van zijn moeder. De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] hieromtrent een samenvatting lijkt te zijn. Dit maakt het proces-verbaal echter niet onbruikbaar als bewijsmiddel. De rechtbank stelt vast dat de verdachte kort na en in de dagen na de brand op diverse momenten en tegenover verschillende personen heeft verklaard dat hij brand heeft gesticht, hetgeen overeenkomt met het scenario dat wordt beschreven in voornoemd proces-verbaal forensisch onderzoek.
Behoudens de moeder van de verdachte, die blijkens het dossier ten tijde van het ontstaan van de brand lag te slapen, verbleef er niemand anders in de woning. Het vorengaande laat alleen de mogelijkheid over dat het de verdachte is geweest die de brand in de woning van zijn moeder heeft veroorzaakt.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte het opzet had op die brandstichting. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte vol opzet heeft gehad om brand in de woning te stichten. De verdachte heeft verklaard dat hij dat opzet niet had en ook anderszins kan niet worden vastgesteld dat de verdachte willens en wetens heeft gehandeld.
De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de brand in de woning – aanwezig is als de verdachte zich van dat gevolg bewust diende te zijn en de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder die zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Dat betekent dat het moet gaan om een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
De verdachte heeft met behulp van een brandversneller geëxperimenteerd met vuur en drugs, terwijl hij op het matras van zijn bed zat. Naar algemene ervaringsregels heeft te gelden dat door dergelijk handelen een brand kan ontstaan. Vervolgens is de verdachte, nadat hij vlammen zag onder zijn bed, uit zijn bed gesprongen en heeft hij zonder zijn moeder te waarschuwen de woning verlaten. Met deze gedragingen in de geschetste situatie heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke aanvaard dat een brand in de woning van zijn moeder zou ontstaan. Daarom is sprake van voorwaardelijk opzet van de verdachte op de brandstichting.
De rechtbank acht ook bewezen dat deze brand niet alleen gemeen gevaar voor goederen heeft opgeleverd, maar ook gemeen gevaar voor zijn moeder die zich in dezelfde woning bevond en voor de personen die zich in de aangrenzende woningen bevonden. Zo is de verdachte na de brandstichting zonder zijn moeder te waarschuwen vertrokken en zijn bewoners van een aangrenzend pand pas wakker geworden van de sirenes van de brandweer en toen door de brandweer gesommeerd hun woning te verlaten.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 13 juli 2025 te ’s-Gravenhage, in een woning gelegen aan de [adres 1] , opzettelijk brand heeft gesticht, door open vuur in aanraking te brengen met (was)benzine en/of een andere brandbare stof en de vloer, terwijl daarvan
gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten
- de woning en de inboedel van voornoemde woning en
- de aangrenzende/omliggende woningen en inboedels van die woningen
te duchten was
en
levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten
- de in voornoemde woning aanwezige personen ( [naam 1] ) en
- de in de omliggende woningen aanwezige personen
te duchten was;
2
hij op 13 juli 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een computerbeeldscherm en een computermuis, die aan een ander, te weten aan het ziekenhuis Medisch Centrum Haaglanden, toebehoorde
nheeft vernield;
3
hij op 13 juli 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk het raam van de woning aan de [adres 2] , dat aan een ander, te weten aan [naam 2] , toebehoorde heeft vernield.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

Door de verdediging is aangevoerd dat de verdachte zich ten tijde van het plegen van de feiten in een psychose bevond en dat dit ertoe moet leiden dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar wordt bevonden met betrekking tot de bewezen verklaarde feiten.
Dit verweer verwerpt de rechtbank. Weliswaar hebben gedragsdeskundigen (de rapportages bespreekt de rechtbank hierna (onder 6)) geconcludeerd dat de wilsvrijheid van de verdachte ten tijde van het plegen van de delicten werd beperkt door een psychose, maar ze komen niet tot het advies de verdachte
volledigontoerekeningsvatbaar te verklaren. De rechtbank onderschrijft dit – in de rapportages genoegzaam onderbouwde – advies en heeft ook voor het overige onvoldoende aanknopingspunten gevonden om de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren. Het verweer wordt verworpen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met voorwaarden wordt opgelegd. De officier van justitie heeft ook de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan gevorderd. Tot slot heeft de officier van justitie verzocht om de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM), zoals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit een deels voorwaardelijke straf met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden op te leggen en heeft verzocht om het onvoorwaardelijke strafdeel hierbij zo kort als mogelijk te laten zijn. De raadsvrouw heeft verzocht om geen TBS met voorwaarden op te leggen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting in de portiekwoning van zijn moeder. De verdachte heeft deze brand gesticht toen hij midden in de nacht, zittend op het bed in zijn oude slaapkamer, experimenteerde met het aansteken van drugs. Na het ontstaan van de brand heeft de verdachte de woning, waar zijn moeder op dat moment lag te slapen, verlaten.
Brandstichting is een ernstig strafbaar feit. De betreffende woning is in korte tijd volledig uitgebrand. Er was sprake van gevaar voor het overslaan van de brand naar de omliggende woningen. Daardoor ontstond ook (levens)gevaar voor personen in de omliggende woningen die, gelet op het tijdstip van de brand, lagen te slapen toen de brand werd veroorzaakt. Dat de schade voor de omliggende woningen relatief beperkt is gebleven, is te danken aan het feit dat de moeder van de verdachte wakker is geworden en snel de brandweer heeft gealarmeerd.
De verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan vernieling van een ruit van een woning en aan vernieling van een computerbeeldscherm en een computermuis in het ziekenhuis. Daardoor heeft de verdachte schade en overlast veroorzaakt.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 17 september 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Pro Justitia rapportage
Psychiater dr. Y. Berends en klinisch psycholoog drs. W.J.L. Lander hebben Pro Justitia rapportages opgesteld over de verdachte, gedateerd 6 november 2025 en 24 oktober 2025.
Beide deskundigen komen tot de conclusie dat bij de verdachte sprake is van een drugsgeïnduceerde psychose en dat tevens is er sprake van een stoornis in het gebruik van diverse middelen (heroïne, speed, crystal meth, cocaïne, ketamine). Deze stoornissen waren aanwezig ten tijde van het plegen van de feiten.
Volgens de psychiater werd het beoordelingsvermogen, het denken en het handelen van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde in sterke mate beïnvloed door de geïntoxiceerde toestand waar hij in verkeerde. Hij was niet meer goed in staat om logisch te redeneren en de gevolgen van zijn handelen te overzien. Hoewel het tenlastegelegde niet het directe gevolg lijkt te zijn van de psychotische symptomatologie voorafgaand aan het tenlastegelegde, is de inname van deze middelen voorafgaand aan het tenlastegelegde wel beïnvloed door de psychotische symptomatologie.
Volgens de psycholoog had de verdachte inzicht in zijn drugsgebruik en de nadelige gevolgen voor zijn psychische functioneren. Hij is er toch mee doorgegaan en heeft bewust het risico genomen dat hij ernstig verward (psychotisch) zou raken en heeft hierbij zijn wil en gedrag in vrijheid kunnen bepalen. Hij heeft echter niet kunnen vermoeden dat hij op basis van de verwardheid de brand zou stichten.
De deskundigen adviseren het tenlastegelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
Het risico op recidive wordt ingeschat op matig.
De psychiater adviseert tot een klinische behandeling, waarbij, gezien de delict analyse, de behandeling van de verslavingsproblematiek het primaire behandeldoel zou moeten zijn. Aangezien het risico op herhaling vooral wordt bepaald door het risico op middelengebruik acht de psychiater een langdurig toezicht, ook in ambulante setting, wenselijk. Dit zou mogelijk zijn binnen de bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel of, indien passend bij de op te leggen straf, een TBS met voorwaarden. Het voordeel van een TBS met voorwaarden is dat een langduriger toezicht mogelijk is en daarmee de kans op recidive wordt verminderd.
De psycholoog geeft vanuit gedragskundig oogpunt het juridisch kader van TBS met voorwaarden de voorkeur, omdat dit meer dwingend is en de verdachte een structuur en motivatie biedt om zich aan de voorwaarden te houden.
Reclasseringsrapport
De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van het rapport van GGZ reclassering Fivoor over de verdachte, gedateerd 15 december 2025.
De reclassering onderschrijft in haar rapport de visie en conclusie van de deskundigen en acht de kans op recidive hoog. De reclassering acht TBS met voorwaarden een geschikt kader om met de verdachte toe te werken naar en te kunnen blijven werken aan gedragsverandering om zo de risico’s te beperken en daarmee de veiligheid van de maatschappij te borgen. Voorts adviseert de reclassering om een GVM op te leggen en de dadelijke uitvoerbaarheid van de TBS met voorwaarden.
Conclusies van de rechtbank
Aangezien de conclusies van de psychiater en psycholoog gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. De verdachte wordt dus in verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht.
Alles overziend zal de rechtbank geen voorwaardelijke TBS-maatregel opleggen. De rechtbank is het met de raadsvrouw eens dat TBS een bijzonder zware maatregel is en dat van het opleggen daarvan moet worden afgezien indien er een lichter alternatief is. Een dergelijk alternatief bestaat hier in de vorm van een straf met bijzondere voorwaarden. Daarmee kan immers hetzelfde worden bereikt, namelijk dat de verdachte wordt behandeld voor zijn problematiek. De verdachte heeft tegenover de deskundigen en op de terechtzitting duidelijk gemaakt dat hij zeer gemotiveerd is voor behandeling en abstinentie van middelen. Hij wil zijn leven beteren en is doordrongen van de ernst van de situatie.
De rechtbank heeft er voldoende vertrouwen in dat met het opleggen van een straf met bijzondere voorwaarden kan worden volstaan. Hierbij neemt de rechtbank ook het beperkte strafblad van de verdachte in aanmerking en het feit dat de verdachte niet eerder de kans heeft gekregen om in het kader van bijzondere voorwaarden te werken aan zijn problematiek.
Alles overwegend, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht een gevangenisstraf van dertig maanden waarvan twintig maanden voorwaardelijk, met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden en een proeftijd van drie jaren, passend en geboden. De rechtbank acht het hierbij van belang dat de verdachte, direct aansluitend op zijn onvoorwaardelijke detentie, wordt opgenomen in een kliniek teneinde een klinische behandeling te ondergaan. Het forse voorwaardelijk strafdeel dient ertoe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.
Gelet op de adviezen van de psychiater, de psycholoog en de reclassering is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zonder begeleiding en behandeling wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de hierna op grond van artikel 14c Sr te stellen bijzondere voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
De rechtbank ziet, anders dan door de officier van justitie is gevorderd, geen aanleiding om een GVM ex artikel 38z Sr aan de verdachte op te leggen. Gelet op de bijzondere voorwaarden die aan de verdachte worden opgelegd in combinatie met een proeftijd van drie jaren, acht de rechtbank het niet passend om daarnaast een GVM ex artikel 38z Sr op te leggen.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 57, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals die ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
ten aanzien van feit 2:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
ten aanzien van feit 3:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
30 (dertig) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
20 (twintig) MAANDEN, niet zal worden ten uitvoer gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
drie jarenvastgestelde
proeftijdniet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de volgende bijzondere voorwaarden:
- De veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd bij GGZ Reclassering Fivoor ( [adres 5] ) op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht.
- De veroordeelde laat zich gedurende de proeftijd, of zoveel korter als zijn behandelaars in overleg met de reclassering nodig achten, opnemen in en zal verblijven in een nog nader door IFZ/DIZ te indiceren klinische setting of soortgelijke forensische instelling, zulks te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.
• De opname start direct aansluitend aan detentie. De opname duurt zolang de reclassering en het behandelteam dat nodig vinden.
• De veroordeelde houdt zich aan de daar geldende huisregels, afspraken en aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.
• Als de reclassering en het behandelteam een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vinden, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
- Als de reclassering dat nodig vindt en de veroordeelde daarmee instemt, kan de veroordeelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrische Kliniek of andere (soortgelijke) instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.
- Aansluitend aan zijn klinische opname zal de veroordeelde verblijven in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Het verblijf duurt zolang de reclassering en zorginstelling dat nodig vinden.
De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
- Aansluitend aan zijn klinische behandeling laat de veroordeelde zich behandelen door een forensisch ambulante behandelinstelling of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering en/of de zorginstelling dat nodig vindt.
De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling, als ook een kortdurende klinische opname van maximaal zeven weken ten behoeve van detoxificatie en/stabilisatie.
- De veroordeelde gebruikt geen drugs en alcohol en werkt mee aan controle op dit verbod. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd. Mogelijke controlemiddelen zijn ademonderzoek (blaastest) en urineonderzoek.
- De veroordeelde zet zich in voor het realiseren en behouden van een passende en door de reclassering goedgekeurde dagbesteding en houdt zich aan de voorwaarden c.q. regels die hem gesteld worden.
- De veroordeelde geeft inzage in zijn financiën en werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van betalingsregelingen. Desgewenst werkt hij mee aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen en/of beschermingsbewind.
- De veroordeelde zal zich niet buiten de Europese landsgrenzen van Nederland begeven;
geeft opdracht aan GGZ Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het - op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht - uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Dit vonnis is gewezen door
mr. I.C. Kranenburg, voorzitter,
mr. V.J. de Haan, rechter,
mr. A.W. Duijnstee, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. N. de Jong, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 januari 2026.