Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11382

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
NL26.21708
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 106 VwArt. 5.1b Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring wegens onvoldoende beëindiging verblijf

Eiser, van Roemeense nationaliteit, werd op 16 april 2026 een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat hij als Unieburger rechtmatig verblijf had en dat hij Nederland op 24 maart 2025 uit eigen beweging had verlaten, waarna hij eind november 2025 weer was teruggekeerd. Eiser voerde aan dat hij zijn verblijf daadwerkelijk en effectief had beëindigd.

De rechtbank oordeelde dat het enkele fysieke vertrek niet volstaat om het verblijf daadwerkelijk en effectief te beëindigen, zoals bevestigd in het arrest F.S. van het Hof van Justitie van de EU. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn centrum van belangen naar Roemenië of elders heeft verplaatst en daar een bestendig bestaan heeft opgebouwd. Zijn verklaringen over zwart werk en inschrijving in Roemenië werden niet met stukken onderbouwd.

De minister had daarnaast zwaarwegende gronden voor de maatregel van bewaring, waaronder het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en eerdere overtredingen van vreemdelingenwetgeving. De rechtbank vond dat geen lichtere maatregel passend was gezien het gedrag van eiser en het risico op ontduiking.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.21708

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. E. El Assrouti),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Toughza, als waarnemer voor zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De minister heeft na de zitting, op 29 april 2026, de maatregel van bewaring opgeheven.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Roemeense nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1985.
2. Omdat de bewaring inmiddels is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. Eiser betoogt dat de maatregel van bewaring onterecht is opgelegd, omdat eiser rechtmatig verblijf heeft als Unieburger. Eiser is uit eigen beweging op 24 maart 2025 uit Nederland vertrokken. Eind november 2025 is eiser Nederland weer ingereisd en is daarmee een periode van acht maanden niet in Nederland geweest. Niet gesteld kan worden dat eiser zijn verblijf in Nederland hiermee niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd, aldus eiser.
3.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest F.S. van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 22 juni 2021 [1] volgt dat een Unieburger ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen alleen opnieuw verblijfsrecht op het grondgebied van het gastland verkrijgt wanneer hij zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Het enkele fysieke vertrek volstaat niet. Hoe langer de afwezigheid van de Unieburger van het grondgebied van het gastland, hoe meer daaruit blijkt dat het verblijf daadwerkelijk en effectief is beëindigd. Daarnaast zijn alle elementen waaruit blijkt dat de Unieburger zijn banden met het gastland heeft verbroken van belang. Ten slotte is van belang of een Unieburger bestendig heeft verbleven op het grondgebied van een andere lidstaat dan de gastlidstaat dat het verwijderingsbesluit heeft genomen.
4. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat eiser zijn verblijf
in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en hiermee gevolg heeft gegeven
aan het verwijderingsbesluit van 16 december 2024. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser weliswaar op 24 maart 2025 uit eigen beweging uit Nederland is vertrokken en daarbij feitelijk Nederland heeft verlaten, maar dat eiser vervolgens eind november 2025 Nederland weer is ingereisd. Vanaf 1 januari 2026 is eiser vervolgens geregeld staande gehouden wegens het plegen van overlast op straat en openbare dronkenschap en is eiser sindsdien ook drie keer aangehouden en veroordeeld voor het plegen van misdrijven, te weten vermogensdelicten. In het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser verklaard dat hij in Roemenië zwart heeft gewerkt in de bouw, maar dat dit werk in Roemenië niet goed wordt betaald. Daarnaast zou eiser staan ingeschreven in Roemenië, maar hij heeft dit niet met stukken onderbouwd. Ook heeft eiser in het gehoor verklaard dat hij wacht op een nieuwe identiteitskaart, die zijn moeder in Roemenië zou hebben geregeld en naar hem zou opsturen, zodat hij kan werken. Eiser heeft de nieuwe identiteitskaart na twee maanden nog niet ontvangen. De aanvraag voor een nieuw identiteitsdocument bij de Roemeense autoriteiten kan eiser overigens niet tonen. Eiser heeft hiermee in het geheel niet onderbouwd dat hij het centrum van zijn belangen naar Roemenië, of elders, heeft overgebracht en daar een bestendig bestaan heeft opgebouwd. Gelet op het voorgaande heeft de minister mogen aannemen dat eiser zijn verblijf niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. De beroepsgrond slaagt niet.
5. In de maatregel van bewaring heeft de minister verder overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5.1.
De zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd zijn door eiser niet betwist. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden, in samenhang bezien, de maatregel van bewaring niet kunnen dragen.
6. Eiser voert verder aan dat niet valt in te zien dat niet kon worden volstaan met een lichter middel, zoals een borgtocht of meldplicht.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op wat hierboven is
geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het
standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende
maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. In de
maatregel is gewezen op de gronden en de motivering daarvan, waaruit volgt dat er een
risico is dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft toegelicht dat het
gedrag van eiser geen aanleiding geeft om een lichter middel toe te passen. Hierbij heeft de
minister mogen betrekken dat eiser zijn vertrek uit Nederland niet daadwerkelijk en effectief
heeft beëindigd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets waartoe de rechtbank is gehouden,
ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het opleggen of voortduren van de
maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Arrest van 22 juni 2021, zaak C-719/19, ECLI:EU:C:2021:506.