Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11385

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
NL26.21706
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 106 VwArt. 5.1b Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrecht

Eiser, van Roemeense nationaliteit, werd op 16 april 2026 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De minister motiveerde de maatregel met het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren. Diverse zware en lichte gronden werden genoemd, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen en het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats.

Eiser stelde dat een lichter middel, zoals borgtocht of meldplicht, had moeten worden toegepast. De rechtbank oordeelde echter dat gezien de omstandigheden en het gedrag van eiser, geen lichter maar wel doeltreffend middel voorhanden was. De minister had voldoende gemotiveerd waarom de bewaring noodzakelijk was.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en dat het beroep ongegrond is. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter M.B. de Boer op 4 mei 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.21706

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. E. El Assrouti),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 28 april 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Toughza, als waarnemer voor zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Roemeense nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 2001.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3.1.
De zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd zijn door eiser niet betwist. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden, in samenhang bezien, de maatregel van bewaring niet kunnen dragen.
4. Eiser voert aan dat niet valt in te zien dat niet kon worden volstaan met een lichter middel, zoals een borgtocht of meldplicht.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. In de maatregel is gewezen op de gronden en de motivering daarvan, waaruit volgt dat er een risico is dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft toegelicht dat het gedrag van eiser geen aanleiding geeft om een lichter middel toe te passen. Hierbij heeft de minister mogen betrekken dat eiser geen vaste woon- of verblijfsplaats of middelen van bestaan heeft, waardoor eiser niet traceerbaar is of zijn vertrek zelf kan bekostigen. De minister was in dit geval niet gehouden om een lichter middel op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet.
5. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets waartoe de rechtbank is gehouden, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het opleggen of voortduren van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.