Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11389

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
C/09/698694
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen

De rechtbank Den Haag behandelde op 31 maart 2026 het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren in 2012 en 2015. De kinderen verblijven bij hun vader, die samen met de moeder het gezag uitoefent. De moeder stemde in met het verzoek, de vader voerde verweer.

De Raad stelde dat de kinderen geen contact hebben met hun moeder en een negatief beeld van haar hebben, wat hun identiteitsontwikkeling bedreigt. De ouders zouden onvoldoende bereid zijn om de bedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren. De vader gaf aan open te staan voor contactherstel en hulpverlening, maar benadrukte verschillen in visie op het loyaliteitsconflict.

De rechtbank oordeelde dat het langdurige gebrek aan contact op zichzelf onvoldoende is om een ondertoezichtstelling te rechtvaardigen, tenzij dit leidt tot ernstige bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen van de kinderen en andere middelen hebben gefaald. Uit het dossier en de zitting bleek dat het goed gaat met de kinderen bij de vader, er geen acute onveiligheid is en dat hulpverlening in het vrijwillig kader nog niet is uitgeput.

Daarom wees de kinderrechter het verzoek tot ondertoezichtstelling af. De beschikking werd mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken door kinderrechter E.D.A. Geleijns. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden door tussenkomst van een advocaat bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Het verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van een ernstige bedreiging.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Familie
Zaaksgegevens: C/09/698694 / JE RK 26-162
Datum uitspraak: 31 maart 2026

Beschikking van de kinderrechter

Ondertoezichtstelling

in de zaak naar aanleiding van het op 29 januari 2026 ingekomen verzoekschrift van:
de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden(hierna te noemen: de Raad),
betreffende:
- [minderjarige 1]geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna ook: [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2]geboren op [geboortedatum 2] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna ook: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de kinderrechter bekend adres,
advocaat: mr. C.H. Remmelink in Zoetermeer.

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de kinderrechter bekend adres,
advocaat: mr. D. Vurdelja in 's-Gravenhage.
De kinderrechter merkt als informant aan:

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Het procesverloop

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het verzoekschrift.
De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben zich op 16 maart 2026 in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op 17 maart 2026 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. De zaak is
gecombineerdbehandeld met het eerder behandelde verzoek van de vader – voor zover nu nog aan de orde – ten aanzien van de zorgregeling met zaak- en rekestnummer: C/09/684285 en FA RK 25-3147. Op het laatstgenoemde verzoek wordt bij afzonderlijke beschikking van 14 april 2026 beslist.
Op de zitting zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, de moeder, bijgestaan door haar advocaat, [naam 1] namens de Raad en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling. Door de advocaat van de vader zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

  • De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
  • Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 in [geboorteplaats] .
  • De vader heeft de kinderen erkend.
  • De vader en de moeder oefenen blijkens een uittreksel uit het gezagsregister gezamenlijk het gezag uit over de kinderen sinds respectievelijk 27 juni 2014 en 11 augustus 2017.
  • Bij beschikking van 12 augustus 2025 van deze rechtbank is in de procedure met rekestnummer: : C/09/684285 en FA RK 25-3147 – voor zover nu van belang –:
  • bepaald dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vader;
  • een raadsonderzoek gelast en iedere verdere beslissing over de zorgregeling aangehouden.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de periode van één jaar, een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder heeft ingestemd met het verzoek, althans heeft zich niet tegen toewijzing daarvan verzet.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

De Raad heeft ter onderbouwing van zijn verzoek onder meer het volgende naar voren gebracht. Er is sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van beide kinderen, omdat zij geen contact hebben met hun moeder en een sterk negatief beeld over haar hebben. Dit beïnvloedt hun identiteitsontwikkeling. De ouders zijn op dit moment onvoldoende bereid en/of in staat onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Er is al heel veel hulpverlening ingezet in het vrijwillig kader. Vader heeft een andere visie op het loyaliteitsconflict waar de kinderen in zitten, hierdoor is het traject Ouderschap Blijft stuk gelopen.
De vader heeft zich op het standpunt gesteld dat de grond voor het opleggen van een ondertoezichtstelling ontbreekt. Hij heeft hiertoe op de zitting onder meer gesteld dat hij open staat voor contactherstel tussen de moeder en de kinderen en voor iedere vorm van hulpverlening. De vader heeft hierbij opgemerkt dat de “neuzen” van partijen niet altijd dezelfde kant op wijzen voor wat betreft de hulpverlening voor de kinderen, maar dat het partijen desondanks altijd is gelukt de van belang zijnde hulpverlening op te starten.
De moeder is voorstander van een ondertoezichtstelling van de kinderen, omdat de kinderen volgens haar beschadigd zijn.
De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden niet, althans onvoldoende, aanwezig zijn en overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank constateert dat beide kinderen hun moeder inmiddels al langere tijd niet hebben gezien en gesproken. [minderjarige 1] al 5 jaar niet en [minderjarige 2] 1 jaar niet. Hoewel de rechtbank het gebrek aan contact tussen de moeder en de kinderen wel zorgelijk vindt, is het ontbreken van contact tussen de moeder en de kinderen op zichzelf ontoereikend om een ondertoezichtstelling te rechtvaardigen (zie HR 21 april 2017; ECLI:NL:HR:2017:766). Hiervoor moet het ontbreken van contact zodanige belastende conflicten of problemen opleveren voor de kinderen dat deze, op zichzelf of in combinatie met andere omstandigheden, een ernstige bedreiging opleveren voor de zedelijke of geestelijke belangen van de kinderen en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen. De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken en uit dat wat op de zitting met de ouders en de Raad is besproken onvoldoende blijkt dat daarvan sprake is. Bij de vader thuis gaat het goed met de kinderen. Zij zijn dol op de partner van de vader en haar dochter. Ook op school gaat het goed met de kinderen. De gecertificeerde instelling heeft op de zitting aangegeven dat er volgens haar geen sprake is van acute onveiligheid voor de kinderen. Daarnaast is naar het oordeel van de kinderrechter de hulpverlening in het vrijwillig kader niet uitgeput. Ook de gecertificeerde instelling was op de zitting deze mening toegedaan. De afgelopen vijf jaar heeft er veel hulpverlening voor het hele gezin plaatsgevonden in het vrijwillig kader. De vader heeft op de zitting duidelijk gemaakt dat hij nog steeds open staat voor hulpverlening in het vrijwillig kader en de kinderrechter heeft geen reden om aan deze woorden van de vader te twijfelen. Ook is niet gebleken dat de moeder niet open staat voor hulpverlening in het vrijwillig kader.
Nu de Raad, gelet op het bovenstaande, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een dusdanige ontwikkelingsbedreiging dat een ondertoezichtstelling in dit verband gerechtvaardigd is, zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:
wijst af het verzoek tot ondertoezichtstelling.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026 door mr. E.D.A. Geleijns, kinderrechter, in tegenwoordigheid van P. Lahman als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van
het gerechtshof Den Haag.