ECLI:NL:RBDHA:2026:114
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen besluit van de minister van Asiel en Migratie inzake griffierecht
Op 6 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de zaak tussen een eiser en de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank beoordeelt het beroep van de eiser tegen een besluit van de minister. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat het griffierecht niet is betaald. Volgens artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het verplicht om griffierecht te betalen bij het indienen van een beroep. In deze zaak bedraagt het griffierecht € 194. De griffier heeft de eiser op 24 september 2025 gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht en heeft een termijn gesteld waarbinnen dit voldaan moest worden. Ondanks een herinnering op 23 oktober 2025 heeft de eiser het griffierecht niet betaald. De rechtbank legt uit dat het niet tijdig betalen van het griffierecht niet verontschuldigbaar is, wat leidt tot de niet-ontvankelijkheid van het beroep. De rechtbank besluit dat het beroep niet inhoudelijk beoordeeld zal worden en dat het bestreden besluit in stand blijft. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, en is openbaar gemaakt. Partijen hebben de mogelijkheid om binnen zes weken een verzetschrift in te dienen als zij het niet eens zijn met deze uitspraak.