Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11402

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
NL26.23692
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 sub a Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrecht

De minister van Asiel en Migratie legde op 17 april 2026 aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59 lid 1 sub a van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, van Oezbeekse nationaliteit, stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De minister hief de maatregel op 1 mei 2026.

De rechtbank behandelde het beroep op 7 mei 2026 en beperkte haar beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de maatregel onrechtmatig was geweest en of schadevergoeding toekwam. De minister had als zware gronden onder meer genoemd dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze was binnengekomen, zich aan toezicht had onttrokken, onvoldoende meewerkte aan vaststelling identiteit en nationaliteit, en geen gevolg zou geven aan terugkeerverplichtingen.

Eiser betwistte deze gronden niet, maar stelde dat de minister een lichter middel had moeten toepassen omdat hij wilde terugkeren met het Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende had toegelicht dat het risico op onttrekking niet met een lichter middel kon worden ondervangen, mede vanwege eerdere onttrekkingen van eiser.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.23692

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

gemachtigde: mr. M. Pater,
en

de minister van Asiel en Migratie,

gemachtigde: drs. J.P.M. Wuite.

Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 1 mei 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Oezbeekse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1971.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde.
De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser heeft de aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde gronden niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden voldoende zijn om de maatregel van bewaring te dragen.
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister met een lichter middel had moeten volstaan nu hij wilde terugkeren met het Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). Het risico op onttrekking was volgens eiser klein.
5.1
De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat met een lichter middel had moeten worden volstaan. De minister heeft voldoende toegelicht dat het risico op onttrekking niet voldoende met een lichter middel kon worden ondervangen. Daarbij heeft de minister er terecht op gewezen dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken en langere tijd uit het zicht van de autoriteiten is gebleven. De enkele stelling dat hij nu wel wilde vertrekken en dat hij contact had gezocht met het IOM was onvoldoende om erop te vertrouwen dat eiser, als zou worden volstaan met een lichter middel, zelfstandig zou vertrekken uit Nederland.
6. Ook overigens is niet gebleken dat (het voortduren van) de maatregel van
bewaring onrechtmatig was. [1]
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van H.B. Slot - Akkerman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ECLI:EU:C:2022:858, ECLI:EU:C:2025:647, ECLI:EU:C:2026:148.