ECLI:NL:RBDHA:2026:11410

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
NL26.11233
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 66a VreemdelingenwetArt. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugkeerbesluit en oplegging inreisverbod voor twee jaar

Eiseres, een Chinese nationaliteit houdende vrouw, kreeg op 13 februari 2026 een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Dit besluit werd genomen omdat eiseres zich onttrok aan het vreemdelingentoezicht en onvoldoende meewerkte aan het vaststellen van haar identiteit en nationaliteit.

Eiseres betwistte het inreisverbod en stelde dat zij bereid was zelfstandig te vertrekken en voldoende middelen had om dit te doen. Zij voerde aan dat zij niet eerder illegaal verbleef en dat het besluit onrechtmatig was vanwege het ontbreken van een belangenafweging. De rechtbank oordeelde echter dat eiseres geen gronden had aangevoerd tegen de zware gronden die aan het besluit ten grondslag lagen en dat het risico op onttrekking voldoende was gemotiveerd.

De rechtbank stelde vast dat het terugkeerbesluit terecht was uitgevaardigd en dat het inreisverbod conform de wet kon worden opgelegd. Er waren geen bijzondere omstandigheden die het opleggen van het inreisverbod onrechtmatig maakten. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod van twee jaar wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.11233

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).

Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres een terugkeerbesluit uitgevaardigd en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb. [1]

Overwegingen

1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1987 en de Chinese nationaliteit te hebben.
2. Bij het bestreden besluit is aan eiseres een terugkeerbesluit uitgevaardigd en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Verweerder heeft overwogen dat een risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiseres:
- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;- 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiseres:
- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
- 4c. geen vaste woon-of verblijfplaats heeft;
- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiseres kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en voert daartegen aan dat zij heeft verklaard bereid te zijn zelfstandig te vertrekken. Daarnaast betwist eiseres de lichte grond 4d, nu zij voldoende middelen bezit om haar vertrek te bewerkstelligen. Eiseres heeft niet eerder illegaal in Nederland verbleven en is niet eerder staandegehouden. Daarbij komt dat eiseres voorafgaand aan de staandehouding enkele weken in een opvang onder toezicht van de politie heeft verbleven. Gelet op het voorgaande had verweerder een belangenafweging moeten maken en is het inreisverbod onrechtmatig.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat eiseres ten tijde van het uitvaardigen van het bestreden besluit niet rechtmatig in Nederland was, zodat tegen haar een terugkeerbesluit moet worden uitgevaardigd. Eiseres heeft geen beroepsgronden aangevoerd tegen de zware gronden en lichte gronden 4a en 4c die ten grondslag liggen aan het terugkeerbesluit. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in ieder geval terecht de zware gronden 3b en 3d aan het terugkeerbesluit ten grondslag heeft gelegd. Eiseres heeft geen melding gemaakt van haar onrechtmatig verblijf en heeft geen documenten overgelegd ter vaststelling van haar identiteit en nationaliteit. De zware gronden zijn dan ook feitelijk juist en terecht aan het terugkeerbesluit ten grondslag gelegd. Verweerder heeft het risico op onttrekking voldoende gemotiveerd en op grond hiervan een vertrektermijn aan eiseres kunnen onthouden. De beroepsgrond gericht tegen de lichte grond 4d behoeft daarom geen verdere bespreking.
5. Ook is overigens niet gebleken dat het bestreden besluit onrechtmatig is wegens het non-refoulementbeginsel.
6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht tegen eiseres een terugkeerbesluit uitgevaardigd en daarbij kunnen afzien van een vertrektermijn. Uit artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw volgt dat een inreisverbod wordt opgelegd als een vertrektermijn is onthouden. Niet is gebleken van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan verweerder van het opleggen van een inreisverbod had moeten afzien. Verweerder heeft daarom aan eiseres een inreisverbod voor de duur van twee jaar kunnen opleggen.
7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht tegen eiseres een terugkeerbesluit uitgevaardigd en inreisverbod opgelegd.
8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 8 mei 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroepEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.