Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11411

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
26/106
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Aanwijzingsbesluit betaald- en vergunninghoudersparkeren Zoetermeer 2020Art. 4 onder c. Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2025 gemeente ZoetermeerECLI:NL:HR:1997:AA3336
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens onvoldoende bewijs zichtbaar invalidenparkeerkaart

Op 21 november 2025 werd de auto van eiser geparkeerd aangetroffen aan de Reimsstraat te Zoetermeer, een locatie waar betaald parkeren geldt. Verweerder legde een naheffingsaanslag parkeerbelasting op omdat geen geldige parkeervergunning zichtbaar was. Eiser stelde dat zijn geldige invalidenparkeerkaart duidelijk zichtbaar achter de voorruit was bevestigd.

Tijdens de zitting op 17 april 2026 was verweerder verhinderd en eiser verscheen niet. De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende bewijs had geleverd dat de invalidenparkeerkaart niet zichtbaar was, mede vanwege reflecties op de foto’s die verweerder overlegde. De Hoge Raad heeft bepaald dat het niet voldoen aan de zichtbaarheidsverplichting betekent dat er geen sprake is van parkeren met vergunning.

De rechtbank vernietigde daarom de naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar, en droeg verweerder op het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden. Er werden geen proceskosten toegekend. De uitspraak werd gedaan door rechter A. van Welie op 1 mei 2026.

Uitkomst: De naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs dat de invalidenparkeerkaart niet zichtbaar was.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 26/106

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

1 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Zoetermeer, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 15 december 2025 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2026.
Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Eiser is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. De griffier van de rechtbank heeft op 18 maart 2026 om 13:29 uur de uitnodiging voor de zitting in het digitale dossier van eiser geplaatst. Deze uitnodiging vermeldt de datum, het tijdstip en de plaats van de zitting. Op 18 maart 2026 om 13:31 uur is hiervan een kennisgeving verzonden aan het door eiser voor dit doel opgegeven e-mailadres. Eiser is aldus tijdig en op de juiste wijze uitgenodigd voor de zitting.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vernietigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting; en
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 54 aan eiser te vergoeden

Overwegingen

1. Op 21 november 2025 om 15:05 uur stond de auto van eiser (de auto) geparkeerd aan de Reimsstraat te Zoetermeer. Deze locatie is door burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer aangewezen als parkeerplaats waar op die datum en dat tijdstip slechts mag worden geparkeerd tegen betaling van parkeerbelasting of met een geldige parkeervergunning.
2. Tijdens een controle op voormelde plaats, datum en tijdstip zou zijn geconstateerd dat voor de auto van eiser geen parkeerbelasting was voldaan en geen geldige parkeervergunning was aangemeld. Naar aanleiding daarvan is aan eiser een naheffingsaanslag opgelegd ten bedrage van € 81,65, bestaande uit € 2,85 aan parkeerbelasting en € 78,80 aan kosten van de naheffing.
3. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Eiser stelt dat hij zijn invalidenparkeerkaart altijd via een clip achter de voorruit van de auto vast heeft zitten, aan de passagierszijde, zo ook op voornoemd controlemoment. Verweerder stelt dat de parkeercontroleur in de auto geen invalidenparkeerkaart heeft waargenomen, en daarom geen sprake is van parkeren met een vergunning. Niet in geschil is dat eiser destijds in het bezit was van een geldige invalidenparkeerkaart.
4. Bij het gebruik van de invalidenparkeerkaart geldt op grond van artikel 5 van Pro het Aanwijzingsbesluit betaald- en vergunninghoudersparkeren Zoetermeer 2020 en artikel 4 onder Pro c. van de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2025 van de gemeente Zoetermeer, het voorschrift dat deze duidelijk zichtbaar achter de voorruit moet zijn geplaatst. De Hoge Raad heeft op 17 december 1997 [1] geoordeeld dat indien wordt geparkeerd zonder te voldoen aan de vergunningsvoorwaarden, geen sprake is van parkeren met een vergunning. Hetzelfde geldt als niet is voldaan aan de zichtbaarheidsverplichting van de invalidenparkeerkaart.
5. Verweerder dient aannemelijk te maken dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Ter onderbouwing van het standpunt dat eiser niet aan de zichtbaarheidsverplichting heeft voldaan, heeft verweerder scanfoto’s en een door de parkeercontroleur gemaakte foto van de voorruit van de auto overgelegd. Of eisers invalidenparkeerkaart al dan niet duidelijk zichtbaar achter de voorruit van de auto is bevestigd, is uit deze foto’s echter niet op te maken. Door de weerkaatsing van de zon in de voorruit is het namelijk niet mogelijk om waar te nemen welke voorwerpen zich op het dashboard en achter de (onderkant van de passagierszijde van de) voorruit bevinden. Daarbij heeft eiser in bezwaar en beroep uitdrukkelijk gesteld dat de invalidenparkeerkaart wel degelijk zichtbaar achter de voorruit was geplaatst. Gelet hierop heeft verweerder niet aan zijn bewijslast voldaan. Het beroep is daarom gegrond verklaard.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. Verweerder dient wel het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Welie, rechter, in aanwezigheid van
mr. Z.F. de Bruijne, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).