ECLI:NL:RBDHA:2026:11506

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
25/1156
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens niet-betaling griffierecht ongegrond verklaard

Opposante heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van 17 juli 2025, waarin haar beroep tegen een besluit van 18 december 2024 niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet betalen van het griffierecht. De rechtbank heeft het verzet op 20 april 2026 behandeld en beoordeelt of de niet-ontvankelijkverklaring terecht was.

Opposante stelde dat zij de nota voor het griffierecht niet had ontvangen omdat deze per aangetekende post was verzonden en zij geen afhaalbericht had ontvangen. Wel ontving zij een betalingsherinnering per gewone post, maar toen was de betalingstermijn al verstreken. Tevens voerde zij aan dat zij in een andere procedure griffierecht had betaald en verzocht om voeging van de zaken, zodat zij slechts éénmaal griffierecht hoefde te betalen.

De rechtbank oordeelt dat opposante geen formeel verzoek tot voeging heeft gedaan in deze procedure en dat de mededeling in een brief aan de gemeente niet als zodanig kan worden aangemerkt. Ook is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de aangetekende brief niet op reguliere wijze is aangeboden. Bovendien zijn de zaken niet samenhangend, zodat in beide procedures griffierecht verschuldigd is. Het verzet wordt daarom ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring blijft in stand.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens niet-betaling van griffierecht blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/1156 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2026 op het verzet van

[opposante], uit [woonplaats] , opposante [1]
tegen de uitspraak van de rechtbank van 17 juli 2025 in het geding tussen
opposante
en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden

(gemachtigde: [naam 1] ).

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 17 juli 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposante tegen het bestreden besluit van 18 december 2024 niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
De rechtbank heeft het verzet tegen die uitspraak op 20 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: opposante, bijgestaan door [naam 2] , en gemachtigde van het college, bijgestaan door [naam 3] en [naam 4] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 17 juli 2025 terecht is geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
2.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van opposante
3. Het beroep van opposante is gericht tegen de beslissing op bezwaar van 23 december 2024.
De uitspraak van 17 juli 2025
4. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep van opposante kennelijk niet-ontvankelijk geacht, omdat het griffierecht niet is betaald en opposante geen reden heeft gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim is gebleken.
Het verzet van opposante
5. Niet in geschil is dat het griffierecht niet is betaald en dat opposante geen vrijstelling van het griffierecht heeft gevraagd. In verzet voert opposante aan dat zij alleen de betalingsherinnering voor het betalen van het griffierecht heeft ontvangen, per gewone post. Ze heeft niet de blijkbaar eerder verzonden nota voor het betalen van griffierecht ontvangen. Deze zou per aangetekende post zijn verzonden, maar zij heeft nooit een afhaalbericht van PostNL ontvangen. Op het moment dat zij de betalingsherinnering per gewone post ontving was de termijn van 2 weken na dagtekening van de brief waarin zij moest betalen al verstreken, zodat betalen geen zin had. Verder heeft zij op 23 april 2024 in een brief aan de heer [naam 5] van de gemeente verzocht om voeging van deze zaak met een andere zaak van eiseres met zaaknummer 23/7557, waarin al griffierecht was betaald. Daarop is geen reactie gekomen. In het beroep in deze zaak heeft zij niet verzocht om voeging omdat het formulier waarmee je online beroep kunt instellen daarvoor niet de mogelijkheid biedt. Zij stelt dat zij alleen in de andere beroepszaak griffierecht heeft betaald, ervan uit gaande dat beide zaken gevoegd zouden worden.
Het oordeel hierover van de rechtbank
6. De rechtbank begrijpt het standpunt van opposante zo dat zij van mening is dat zij slechts één maal griffierecht dient te betalen vanwege de samenhang van deze zaak met een andere beroep, met zaaknummer 23/7557. Naar het oordeel van de rechtbank heeft zij daartoe echter geen verzoek gedaan. Opposante heeft alleen in die andere beroepszaak in een brief van 23 april 2024 aan de heer [naam 5] van de gemeente meegedeeld dat een aanvraag om een ligplaatsvergunning voor dezelfde woonboot is ingediend, en dat daarop niet tijdig een besluit is genomen, zodat opposante het college in gebreke heeft gesteld. Opposante heeft daarbij vermeld dat dit een fictieve weigering is, die zij in die procedure wil voegen. Naar het oordeel van de rechtbank kan de mededeling over voeging die opposante in die brief heeft gedaan niet als verzoek om voeging van deze zaak met de beroepszaak met zaaknummer 23/7557 worden aangemerkt. Daarbij is van belang dat haar mededeling over voegen in die brief van 23 april 2024 is gedaan op het moment dat de beslissing op bezwaar in deze zaak nog niet was genomen en er dus nog geen beroep was ingesteld. Verder heeft zij deze opmerking over het voegen vermeld in een brief aan de gemeente en niet aan de rechtbank. Opposante had een verzoek tot voeging moeten doen in haar beroepschrift in deze zaak. De rechtbank ziet niet in waarom opposante dat niet heeft kunnen vermelden op het formulier voor het online instellen van beroep. Opposante heeft het verzoek tot voeging eerst ingediend bij het verzet tegen de uitspraak van 17 juli 2025. Op dat moment had zij haar griffierecht al betaald moeten hebben. De rechtbank gaat ervan uit dat opposante de aangetekende brief met daarin de nota voor het betalen van griffierecht niet heeft afgehaald. De enkele stelling van opposante dat zij geen afhaalbericht van deze brief heeft ontvangen, is onvoldoende om ervan uit te gaan dat PostNL de brief niet op regelmatige wijze op het adres van opposante heeft aangeboden. Opposante, op wie de bewijslast rust, heeft geen feiten aannemelijk gemaakt op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten. [2] Opposante had in elk geval na ontvangst van de betalingsherinnering direct het griffierecht moeten betalen en telefonisch contact moeten opnemen met de rechtbank om alsnog te betalen dan wel een verzoek te doen om slechts één maal griffierecht te betalen vanwege de samenhang van deze zaak met de andere beroepszaak, met zaaknummer 23/7557. Overigens is de rechtbank van oordeel dat in dit geval dit beroep en de zaak met zaaknummer 23/7557 niet samenhangend zijn, nu het gaat om besluiten op twee verschillende aanvragen, zodat in beide zaken griffierecht moet worden betaald.

Conclusie en gevolgen

7. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 17 juli 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
7.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Geerink-van Loon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2865.