Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11518

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
NL26.14722 en AWB 26-4219
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 VwopArt. 10 Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005Art. 11 Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaard beroep tegen plaatsing in HTL en vrijheidsbeperkende maatregel COA

Eiser heeft beroep ingesteld tegen twee besluiten: het plaatsingsbesluit van het COa om hem in de Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) te plaatsen en de vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd door de minister. De rechtbank heeft beide beroepen behandeld en het onderzoek op zitting gesloten.

De rechtbank oordeelt dat het incident waarbij eiser agressief gedrag vertoonde, waaronder het beschadigen van veiligheidsglas en het werpen van een deur, terecht is gekwalificeerd als een incident met zeer grote impact. Ondanks dat er geen fysieke schade aan personen is toegebracht, was er sprake van een gevaarlijke situatie en ernstige bedreiging van medewerkers en aanwezigen. De ontkenning van eiser wordt niet gevolgd.

De rechtbank vindt het plaatsingsbesluit proportioneel en voldoende gemotiveerd, ook gelet op de medische omstandigheden van eiser. De vrijheidsbeperkende maatregel steunt volledig op het plaatsingsbesluit en wordt daarom eveneens gehandhaafd. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De beroepen tegen het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel zijn ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 26/4219 en NL26.14722

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[vreemdeling], eiser,

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,

alsmede

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: drs. B.H. Wezeman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 25 februari 2026. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser vanaf 25 februari 2026 in de HTL [1] in Hoogeveen te plaatsen (hierna: het plaatsingsbesluit). [2] Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van 25 februari 2026 om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van Pro de Vw [3] op te leggen (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel). De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.
1.1.
Eiser heeft op 17 maart 2026 beroepsgronden ingediend, waarop het COa op 3 april een verweerschrift heeft ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 30 april 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Ook is een tolk verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt, dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en dat eiser ook geen vergoeding krijgt in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank hoe zij tot dit oordeel komt.
Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit
De feitelijke verslagging van het incident
3. In de verslaglegging van het COa staat over het incident het volgende. Op 23 februari 2026 had eiser een gesprek met een COa IBL-medewerker in de spreekruimte. Eiser gaf aan dat het niet goed met hem ging en dat hij geopereerd wilde worden, de platen moesten namelijk uit zijn hoofd. Daarnaast gaf eiser aan dat hij al vier dagen niet had geslapen en gek werd van de jeuk. De IBL-medewerker gaf aan dat een dergelijke operatie niet kon en dat hij dit meerdere keren aan eiser had uitgelegd. Na het verlaten van de spreekruimte schopte eiser meerdere malen tegen de deur van de spreekruimte aan. Rond 15:00 uur kwam er een melding binnen van de GZA dat eiser in de wachtruimte aanwezig was en weigerde de wachtruimte te verlaten. De GZA-medewerkers stonden achter een veiligheidsdeur met een glazen ruit in de deur en zij zagen dat eiser steeds bozer aan het worden was, omdat zij hem niet konden helpen. De lichaamshouding van eiser veranderde aanzienlijk, hij balde zijn vuisten dreigend richting de GZA-medewerkers achter de deur en de GZA-medewerkers zagen dat eiser een boze blik had. Ook sprak eiser in het Arabisch tegen de GZA-medewerkers, schreeuwde hij en riep hij “Fuck GZA”. De GZA-medewerkers besloten voor hun veiligheid de wachtruimte niet in te gaan en deden via de porto een noodoproep voor extra hulp van het COa. Vervolgens zagen ze dat eiser een kapstok uit de wachtruimte pakte en hiermee een aantal keer tegen de deur met veiligheidsglas sloeg, waardoor de ruit barste, maar wel in de deur bleef zitten. Daarna zagen de GZA-medewerkers dat eiser met de kapstok het systeemplafond boven de deur kapotsloeg waar een camera zit. Ook pakte eiser een krukje en sloeg hij hiermee een aantal keer tegen de deur aan waarachter de GZA-medewerkers zaten. Eiser liep vervolgens naar buiten, trok de buitendeur uit het dozijn en wierp deze tegen de deur aan waar de GZA-medewerkers achter zaten. Vervolgens liep eiser naar buiten, waar de COa-medewerkers eiser kwaad aantroffen. De COa-medewerkers voelden zich onveilig en bleven daarom op gepaste afstand van eiser. De COa-medewerkers konden zien dat er flinke schade in de wachtruimte was gemaakt en besloten de politie te bellen. De tijd dat er gewacht moest worden op de politie was voor de COa-medewerkers bedreigend, omdat eiser onberekenbaar was. Na tien minuten arriveerden er twee politieauto’s op het terrein en werd eiser gearresteerd. Eiser werkte mee aan de arrestatie door de politie.
3.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de feitelijke verslaglegging van het COa. Eisers enkele ontkenning dat hij niet tegen het veiligheidsglas sloeg, is daarvoor onvoldoende. Eisers beroepsgrond slaagt dus niet.
De impact van het incident
4. Verder is de rechtbank van oordeel dat dat het COa het incident terecht heeft gekwalificeerd als een incident met een zeer grote impact, nu het gaat om agressie of geweld met als doel de ander ernstig fysieke schade toe te brengen. [4] Dat er uitsluitend sprake is van materiele schade en dat eiser niemand persoonlijk heeft bedreigd/heeft geslagen, doet hier niet aan af. De rechtbank is van oordeel dat door het gewelddadige gedrag van eiser zowel de COa-medewerkers, medebewoners als andere aanwezigen op de locatie grote schade hadden kunnen ondervinden en zij ernstig gevaar liepen. Doordat eiser met een kapstok een aantal keer tegen de deur met veiligheidsglas sloeg, is de ruit gebroken. Daarnaast is er schade ontstaan aan het systeemplafond en heeft eiser de buitendeur uit het kozijn getrokken en heeft hij deze tegen de deur waar de GZA-medewerkers achter zaten, geworpen. Dit zorgde voor een potentieel gevaarlijke situatie dat tot ernstig letsel bij de medewerkers had kunnen leiden. Uit de verslaglegging van het COa blijkt ook dat de COa-medewerkers zich door de materiële schade en de lichaamshouding van eiser zeer bedreigd en angstig voelden. Ondanks dat er geen sprake is van fysieke schade, kan het gewelddadige gedrag van eiser naar het oordeel van de rechtbank worden gekwalificeerd als doelgericht handelen dat er op gericht was om de medewerkers ernstige fysieke schade toe te brengen. Dat eiser spijt heeft van zijn gedrag, hij de materiele schade wil vergoeden en hij heeft meegewerkt aan zijn arrestatie door de politie, maken niet dat de impact van het incident minder is. Eisers beroepsgronden slagen derhalve niet.
Belangenafweging
5. De rechtbank is van oordeel dat het COa, in overeenstemming met het Maatregelenbeleid en voldoende deugdelijk gemotiveerd, heeft besloten tot de oplegging van het plaatsingsbesluit. Het verweer dat de plaatsing in de HTL een onevenredige straf is nu eiser hierdoor niet met zijn werkzaamheden in een restaurant kan beginnen, volgt de rechtbank niet. Het COa heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de veiligheid van de locatie voorop staat en dat de consequenties van eisers gedrag voor zijn eigen rekening en risico dienen te komen. Ten aanzien van eisers betoog dat de disproportionele reactie van eiser verklaard kan worden door zijn medische situatie en dat dit een verzachtende omstandigheid vormt, overweegt de rechtbank dat het COa zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door eiser aangevoerde medische omstandigheden geen contra-indicatie vormen om eiser niet in de HTL te plaatsen. De rechtbank overweegt dat eiser zich met zijn medische omstandigheden kan wenden tot de medische dienst in de HTL. Niet is gebleken dat eiser in de HTL minder goed kan worden behandeld dan in een reguliere opvanglocatie. Ook ziet de rechtbank in de door eiser geschetste omstandigheden geen redenen voor het oordeel dat het plaatsingsbesluit onevenredig zou zijn. Ook deze beroepsgronden slagen niet.
6. Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit is ongegrond.
Het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel
7. Eiser heeft in dit kader geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.
7.1.
Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is, de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit en de rechtbank ambtshalve toetsend geen onrechtmatigheden vaststelt, zal de rechtbank het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond verklaren.

Conclusie en gevolgen

8. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het COa het besluit tot plaatsing in de HTL en de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mochten nemen.
8.1.
Eisers verzoek om schadevergoeding wordt gezien het voorgaande afgewezen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond.
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van R. de Hoop, griffier, op 11 mei 2026 en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Handhaving- en Toezichtlocatie.
2.Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid van de Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
3.Vreemdelingenwet 2000.
4.Maatregelenbeleid COa, 10 maart 2026, paragraaf 4.1.