ECLI:NL:RBDHA:2026:11535
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van vreemdelingenbewaring wegens ontbreken redelijk vooruitzicht op verwijdering
Eiser, van Gambiaanse nationaliteit, is sinds 16 januari 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59, lid 1, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep getoetst aan de hand van eerdere uitspraken, waaronder een uitspraak van 31 maart 2026, waarin de rechtmatigheid van de maatregel tot dat moment werd bevestigd. De rechtbank concludeert dat de maximale termijn van inbewaringstelling niet is verstreken en dat er wel degelijk een redelijk vooruitzicht op verwijdering naar Gambia bestaat, mede gelet op de voortgangsrapportage en geplande presentaties bij de ambassade.
Eiser heeft zich niet actief medewerking verleend aan zijn uitzetting en stelde zich weigerachtig op, wat de belangenafweging negatief beïnvloedt. De rechtbank oordeelt dat het belang van de minister om de maatregel voort te zetten zwaarder weegt dan het belang van eiser om in vrijheid te worden gesteld. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding en proceskostenveroordeling worden afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.