ECLI:NL:RBDHA:2026:11545
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met land van herkomst
Eiser, een Pakistaanse nationaliteit, vroeg een visum voor kort verblijf aan om de bruiloft van zijn zus bij te wonen. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af wegens twijfel over het voornemen van eiser om tijdig terug te keren naar Pakistan. De rechtbank beoordeelde het beroep tegen deze afwijzing.
De rechtbank overwoog dat eiser onvoldoende bewijs leverde van een structurele economische binding met Pakistan, mede omdat contante inkomsten zonder facturen niet overtuigend werden onderbouwd en het bezit van landbouwgrond niet automatisch een sterke binding vormt. Ook de sociale binding werd onvoldoende geacht, omdat eiser ongehuwd is en geen zorgplicht voor familieleden aannemelijk maakte.
Verder oordeelde de rechtbank dat de hoorplicht niet was geschonden, omdat verweerder op grond van de Algemene wet bestuursrecht mocht afzien van het horen van eiser gezien het kennelijk ongegronde bezwaar. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de afwijzing van het visum in stand bleef.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende sociale en economische binding met Pakistan.