6.3.1Vorderingen tot schadevergoeding [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5]
Toewijzing affectieschade
Op grond van artikel 6:108, derde lid, BW is, indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is overlijdt, die ander verplicht tot vergoeding van een bedrag voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat (waaronder affectieschade) aan de in het vierde lid van dat artikel genoemde naasten. De rechtbank stelt vast dat het overlijden van [slachtoffer] het gevolg is van het onrechtmatige handelen van de verdachte. De rechtbank stelt voorts vast dat de benadeelde partijen [benadeelde 1] (zoon), [benadeelde 2] (weduwe), [benadeelde 3] (moeder), [benadeelde 4] (vader) en [benadeelde 5] (zoon), op grond van dit artikel en het Besluit vergoeding affectieschade tot de kring van gerechtigden behoren en aldus een wettelijk recht hebben op vergoeding van affectieschade. De rechtbank zal daarom aan [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 5] de gevorderde bedragen van € 20.000,- en aan [benadeelde 3] en [benadeelde 4] de gevorderde bedragen van € 17.500,- aan vergoeding van affectieschade toewijzen. Voor het verweer van de verdediging dat sprake zou zijn van eigen schuld door het slachtoffer bestaat geen grondslag. Dit verweer wordt verworpen.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 21 oktober 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vorderingen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder 3.3 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 5] aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hen is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van telkens € 20.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 oktober 2025 tot aan de dag dat deze bedragen zijn betaald, ten behoeve van [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 5] .
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 4] aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hen is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van telkens € 17.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 oktober 2025 tot aan de dag dat deze bedragen zijn betaald, ten behoeve van [benadeelde 3] en [benadeelde 4] .
6.3.2Vordering tot schadevergoeding [benadeelde 6]
Immateriële schade niet-ontvankelijk
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post immateriële schade, ter zake shockschade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij direct is geconfronteerd met de gevolgen van het delict, namelijk het vasthouden van diens neergeschoten broer in kritieke toestand en het latere overlijden. Ook neemt de rechtbank aan dat de benadeelde partij als gevolg hiervan psychische klachten ondervindt. Hij heeft zich echter niet onder medische behandeling laten stellen. Dat is uiteraard een persoonlijke keuze, maar de vraag of bij hem geestelijk letsel is ontstaan in de zin van shockschade, is daarom niet onderbouwd met stukken van een deskundige. De rechtbank kan daarom niet op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige tot het oordeel komen dat sprake is van geestelijk letsel, zoals vereist op grond van de rechtspraak van de Hoge Raad. Bij deze stand van zaken kan de rechtbank in dit strafproces niet overgaan tot toewijzing van de gevorderde vergoeding voor shockschade. Dit deel van de vordering is daarmee namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Affectieschade niet-ontvankelijk
Op grond van artikel 6:108, derde lid, BW is, indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is overlijdt, die ander verplicht tot vergoeding van een bedrag voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat (waaronder affectieschade) aan de in het vierde lid van dat artikel genoemde naasten. Broers en zussen zijn niet opgenomen in deze opsomming van personen die aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade, omdat de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen hen niet standaard een recht op affectieschade toe te kennen. Dit sluit niet uit dat zij in bijzondere gevallen een beroep kunnen doen op de zogeheten hardheidsclausule als bedoeld in artikel 6:108, vierde lid, sub g, BW. De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat bij de uitleg van de hardheidsclausule zoveel mogelijk aangesloten moet worden bij de bedoeling van de wetgever, zoals die blijkt uit de memorie van toelichting en wetsgeschiedenis. In de memorie van toelichting staat dat sprake kan zijn van “een nauwe persoonlijke betrekking” tussen bijvoorbeeld broers en zussen als zij langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen. De wetgever heeft benadrukt dat de hardheidsclausule niet te lichtvaardig gebruikt moet worden.
De rechtbank is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden geen termen aanwezig zijn die een beroep op de hardheidsclausule rechtvaardigen, omdat er geen omstandigheden zijn aangevoerd waaruit blijkt dat de verhouding tussen de nabestaande en zijn overleden broer sterk afweek van wat in het algemeen gebruikelijk is tussen broers en zussen binnen een gezin. De rechtbank zal de benadeelde partij, [benadeelde 6] , daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Proceskostenveroordeling benadeelde partij
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
6.3.3Vordering tot schadevergoeding [benadeelde 7]
Shockschade
Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt, kan – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie met die daad een hevige emotionele schok teweegbrengt. De rechtbank moet toetsen of de gepleegde onrechtmatige daad direct heeft geleid tot een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij, waaruit bij diegene geestelijk letsel is voortgevloeid.
Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld (hierna: het secundaire slachtoffer) zijn onder meer:
- De aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en de ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed.
- De wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd.
- De aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.
De rechtbank moet aan de hand van onder meer deze gezichtspunten in hun onderlinge samenhang beschouwd van geval tot geval beoordelen of sprake is van onrechtmatigheid.
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij op 21 oktober 2025 bij het café aanwezig was en dat zij heeft gezien hoe het slachtoffer na een ruzie met een vuurwapen van dichtbij in zijn gezicht is geschoten. Zij heeft het slachtoffer daarna met de wond in zijn gezicht ondersteund en ze zijn samen weggelopen. Later is zij geconfronteerd met zijn overlijden in het ziekenhuis. Het gaat hier om doodslag, een extreem feit met fataal gevolg voor het primaire slachtoffer. De confrontatie met het neerschieten en zijn gewonde gezicht en vervolgens het overlijden moeten heftig en schokkend zijn geweest voor de benadeelde partij.
Het verweer dat de benadeelde partij vanwege de aard en hechtheid niet tot de kring van gerechtigden zou behoren, verwerpt de rechtbank. Gelet op de stukken in het dossier en hetgeen de benadeelde partij hierover heeft gesteld en onderbouwd met de brief van onder andere de broer van het slachtoffer [benadeelde 6] , stelt de rechtbank vast dat sprake was van een nauwe en affectieve relatie tussen hen.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de benadeelde partij rechtstreeks met het incident en de gevolgen daarvan is geconfronteerd en daarbij betrokken is geraakt. Er is dan ook sprake van onrechtmatigheid jegens de benadeelde partij.
De rechtbank is ook van oordeel dat dit bij haar een emotionele schok teweeg heeft gebracht waardoor geestelijk letsel is ontstaan. Dit blijkt uit de door haar overgelegde stukken van de huisarts en GGZ waarin staat dat als gevolg van het incident een posttraumatische stressstoornis (PTSS) bij de benadeelde partij is geconstateerd.
Gelet op hetgeen in vergelijkbare zaken is toegewezen, waaronder de uitspraken waarnaar de benadeelde partij heeft gewezen, stelt de rechtbank de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid vast op een bedrag van € 15.000,-.
Materiële schade door shockschade
De benadeelde partij heeft ook materiële schade gevorderd op grond van de shockschade die zij heeft geleden. De benadeelde partij heeft hiertoe aangevoerd dat het behandelplan voor de PTSS bestaat uit tien tot vijftien gesprekken, waarna het plan zal worden geëvalueerd. Zij heeft ook daadwerkelijk verschillende sessies gehad. Zij vordert een bedrag van € 6.811,85, bestaande uit € 2.554,59 aan reeds ondergaande sessies en het eigen risico dat zij hierdoor zou hebben moeten betalen in 2025 en in 2026 (twee keer het bedrag van € 385,-). Daarnaast vordert zij een bedrag van € 3.872,26 aan sessies die zij nog moet ondergaan en de betaling van het eigen risico in 2027.
Gelet op de stukken die de benadeelde partij heeft overgelegd, acht de rechtbank voldoende onderbouwd dat de benadeelde partij behandelingen heeft ondergaan en dat zij daarvoor kosten heeft moeten maken, welke niet door de verzekering worden gedekt. De enkele betwisting hiervan door de verdediging, verwerpt de rechtbank. Ook blijkt uit de stukken dat de benadeelde partij het eigen risico van 2026 heeft moeten betalen. Dit gedeelte van de vordering (€ 2554,59 en € 385, tezamen € 2.939,59) komt dan ook voor vergoeding in aanmerking.
Uit de stukken kan niet worden afgeleid of de benadeelde partij het eigen risico van 2025 als gevolg van de medische behandelingen van het geestelijk letsel heeft moeten betalen. Ook de toekomstig gevorderde schade is onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Conclusie
De schadevordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen, namelijk het bedrag van € 17.939,59, bestaande uit € 15.000,- aan immateriële schade en € 2.939,59 aan materiële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 21 oktober 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
De schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder 3.3 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 17.939,59, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 oktober 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van de [benadeelde 7] .