De minister van Asiel en Migratie heeft op 26 maart 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De minister heeft de rechtbank hiervan op de hoogte gesteld, wat gelijkstaat aan het instellen van beroep door eiser. Op 6 mei 2026 vond de zitting plaats waarbij eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren, evenals de gemachtigde van de minister.
Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend handelde bij de uitzetting, omdat na het vertrekgesprek op 30 maart 2026 geen verdere vertrekhandelingen waren verricht. De rechtbank oordeelde echter dat de minister voldoende voortvarend was, gelet op de rappelbrieven aan de Algerijnse autoriteiten op 3 en 23 april 2026 en het geplande vertrekgesprek op 7 mei 2026. Het ontbreken van deze documenten in het dossier en het ontbreken van een M120 voortgangsrapport leidde niet tot onrechtmatigheid.
De rechtbank voerde een ambtshalve toetsing uit en vond geen aanwijzingen dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel onrechtmatig was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.