ECLI:NL:RBDHA:2026:11551
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende aannemelijkheid reisdoel en verblijf
Eiser, een Ghanees staatsburger, diende op 11 januari 2023 een aanvraag in voor een visum kort verblijf met het doel zijn neef te bezoeken en een zakenbezoek te brengen voor zijn onderneming in auto-onderdelen. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af op 13 januari 2023 wegens onvoldoende bewijs van de familierechtelijke relatie en het reisdoel, en handhaafde dit besluit bij bezwaar op 27 maart 2025.
Eiser stelde in beroep dat de minister ten onrechte zijn aanvraag als kennelijk ongegrond had afgewezen en overhandigde een document ter onderbouwing van de familierelatie. De rechtbank oordeelde dat dit document niet in de besluitvorming was meegenomen en inhoudelijk onvoldoende was. Ook ontbrak verdere onderbouwing van het zakenbezoek en was de hotelreservering geannuleerd zonder vervanging.
De rechtbank stelde vast dat de minister terecht oordeelde dat het reisdoel en de verblijfsomstandigheden onvoldoende aannemelijk waren gemaakt. Daarnaast was het niet noodzakelijk eiser te horen in bezwaar omdat redelijkerwijs geen andere uitkomst te verwachten was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiser geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van reisdoel en verblijf.