ECLI:NL:RBDHA:2026:11557
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling
De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring die op 9 maart 2026 door de minister van Asiel en Migratie is opgelegd. Hij vordert tevens schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en de voortgangsrapportage van verweerder in overweging genomen.
De rechtbank toetst alleen de periode na het sluiten van het eerdere onderzoek op 3 april 2026, waarin de maatregel rechtmatig werd bevonden. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend is in de uitzetting, dat er geen zicht is op uitzetting, dat hij volledig meewerkt, geen overlast veroorzaakt en geen gevaar vormt voor de openbare orde. Ook voert hij aan dat een lichter middel passend zou zijn en dat hij familie in Nederland heeft waar hij kan verblijven.
De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende voortvarend handelt, met rappellen aan de Indiase autoriteiten en een vertrekgesprek. Er is nog zicht op uitzetting en geen signalen dat de Indiase autoriteiten niet meewerken. De stelling van eiser over familie in Nederland is onvoldoende onderbouwd. Het feit dat eiser geen overlast veroorzaakt of gevaar vormt, rechtvaardigt niet het opheffen van de maatregel omdat het risico bestaat dat hij zich aan toezicht onttrekt.
De rechtbank ziet geen grond voor onrechtmatigheid van de maatregel en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.