De rechtbank Den Haag behandelde op 1 april 2026 een verzoek van de moeder tot vaststelling van een zorgregeling en kinderalimentatie voor hun minderjarige kind, geboren in 2013. De vader voerde verweer en deed tevens een zelfstandig verzoek tot zorgregeling.
Tijdens de procedure bereikten de ouders overeenstemming over de zorgregeling en trokken zij hun verzoeken over en weer in. De rechtbank besloot de gemaakte afspraken vast te leggen in een beschikking, omdat deze in het belang van het kind zijn.
De zorgregeling bepaalt dat het kind minimaal drie weken van de zomervakantie bij de vader verblijft, de kerstvakantie in goed overleg wordt verdeeld, en overige vakanties en bezoekmomenten eveneens in onderling overleg worden ingevuld. Het halen en brengen wordt gedeeld. De moeder trok haar verzoek tot kinderalimentatie in, zodat de rechtbank hierover geen beslissing hoefde te nemen.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en zonder mondelinge behandeling afgehandeld vanwege de overeenstemming tussen partijen.