ECLI:NL:RBDHA:2026:11573

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
C/09/699846 / KG ZA 26-184
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Kaderbesluit 2008/909Art. 40a Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking certificaat strafoverdracht aan Ierland bij uitblijven garanties en zicht op overbrenging

Eiser, met de Ierse nationaliteit, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertien jaar in Nederland. De Staat heeft het voornemen om de tenuitvoerlegging van zijn straf aan Ierland over te dragen, maar de Ierse autoriteiten hebben nog geen inhoudelijke garanties gegeven over de detentieomstandigheden en veiligheid van eiser.

Eiser vordert in kort geding dat het certificaat tot strafoverdracht wordt ingetrokken indien de Staat niet binnen een redelijke termijn concrete garanties verkrijgt van Ierland. De Staat voert verweer en wijst op lopende beroepsprocedures en het ontbreken van zicht op overbrenging.

De voorzieningenrechter oordeelt dat strafonderbreking niet via kort geding kan worden afgedwongen omdat er een adequate beroepsmogelijkheid bij de RSJ bestaat. De rechtbank benadrukt dat strafoverdracht alleen kan plaatsvinden met garanties van de Ierse autoriteiten en dat zonder concrete zicht op feitelijke overbrenging binnen een redelijke termijn het certificaat moet worden ingetrokken.

De rechter stelt een termijn tot 12 juni 2026 voor het verkrijgen van een inhoudelijke reactie van Ierland. Bij uitblijven daarvan wordt het certificaat ingetrokken. De overige vorderingen van eiser worden afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: De Staat wordt bevolen het certificaat tot strafoverdracht in te trekken tenzij vóór 12 juni 2026 een inhoudelijke reactie van Ierland wordt ontvangen die concreet zicht geeft op feitelijke overbrenging.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel - voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/09/699846 / KG ZA 26-184
Vonnis in kort geding van 8 mei 2026
in de zaak van
[eiser]te [plaats] (P.I.),
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. S.J. van der Woude,
tegen
STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid),
te Den Haag,
gedaagde,
hierna te noemen: de Staat,
advocaat: mr. J. Perenboom.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 26 februari 2026, met producties;
- de conclusie van antwoord, met producties;
- de akte uitlating van [eiser] , met productie;
- de akte overlegging productie van de Staat, met productie;
- het bericht van de rechtbank van 20 april 2026, waarin de voorzieningenrechter partijen om nadere informatie heeft verzocht;
- de akte uitlating (2) van [eiser] ;
- de akte uitlating van de Staat.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 maart 2026. De advocaat van [eiser] heeft ter zitting het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. Deze pleitaantekeningen maken deel uit van het dossier.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft de zaak aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen om de beslissing op het door [eiser] ingediende verzoek strafonderbreking over te leggen en om zich uit te laten over de gevolgen van deze beslissing voor de voortzetting van dit kort geding.
1.4.
Op 1 april 2026 hebben beide partijen zich uitgelaten over de (afwijzende) beslissing op het verzoek strafonderbreking.
1.5.
Bij bericht van 20 april 2026 heeft de voorzieningenrechter partijen verzocht nadere informatie te verschaffen. Bij berichten van 21 april en 22 april 2026 hebben partijen dit gedaan.
1.6.
Vonnis is bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[eiser] , die de Ierse nationaliteit heeft, is bij arrest van 17 mei 2018 van het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertien jaar wegens het medeplegen van een levensdelict en het wegmaken van een lijk. Dit arrest is onherroepelijk geworden.
2.2.
De einddatum van de detentie van [eiser] is [datum 1] 2029. Op of omstreeks [datum 2] 2025 had [eiser] twee derde deel van zijn straf uitgezeten.
2.3.
Bij besluit van 3 juli 2022 heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de
IND) het recht van [eiser] om in Nederland te verblijven beëindigd en hem ongewenst
verklaard. Bezwaar en beroep daartegen zijn ongegrond verklaard. Dit maakt dat [eiser] niet in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling op grond van de v.i.-regeling. [eiser] kan wel in aanmerking komen voor strafonderbreking voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 40a van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (hierna: de Regeling).
2.4.
In oktober 2023 heeft de Staat het voornemen opgevat om de verdere tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van [eiser] aan Ierland over te dragen. [eiser] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij beschikking van 7 oktober 2024 heeft het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof) het bezwaarschrift van [eiser] ongegrond verklaard. In deze beschikking heeft het hof met betrekking tot door de minister te bedingen garanties het volgende overwogen:

Het hof is van oordeel dat het aan de minister is om een garantie te bedingen die ertoe leidt dat de veroordeelde niet in een detentieregime zal worden geplaatst waarin hij wordt blootgesteld aan het reële gevaar voor een onmenselijke of vernederende behandeling.
De algemene gebreken ten aanzien van de detentieomstandigheden in Ierland zoals die met name uit het rapport van het CPT van 24 november 2020 naar voren kamen, vormen geen reden voor gegrondverklaring van het bezwaar. Het hof vertrouwt erop dat de minister de voorgenomen overbrenging van de veroordeelde naar Ierland pas doorgang zal laten vinden nadat de Ierse autoriteiten een concrete garantie hebben afgegeven waardoor een eventueel gevaar voor een onmenselijke of vernederende bestraffing van de veroordeelde afdoende is weggenomen.
2.5.
Op 12 maart 2025 heeft de Staat de Ierse autoriteiten door middel van een certificaat als bedoeld in artikel 4 van Pro Kaderbesluit 2008/909 (hierna: het Kaderbesluit 2008/909)
gevraagd om de verdere tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van [eiser] over te nemen. Hierbij heeft de Staat de Ierse autoriteiten verzocht om een garantie dat [eiser] niet in een detentieregime zal worden geplaatst waarin hij wordt blootgesteld aan het reële gevaar voor een onmenselijke of vernederende behandeling.
2.6.
De Ierse autoriteiten hebben vooralsnog niet inhoudelijk op dit verzoek gereageerd.
2.7.
Op 14 februari 2025 heeft [eiser] een verzoek gedaan tot strafonderbreking op grond van artikel 40a van de Regeling. De minister heeft dit verzoek afgewezen. [eiser] heeft hiertegen beroep ingesteld bij de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna: RSJ). Bij uitspraak van 30 juli 2025 heeft de RSJ het beroep ongegrond verklaard. In deze uitspraak heeft de beroepscommissie van de RSJ onder meer overwogen dat het verzoek tot strafoverdracht de afwijzing van het verzoek tot strafonderbreking rechtvaardigt.
2.8.
Op 1 augustus 2025 heeft [eiser] bij deze rechtbank een kort geding aanhangig gemaakt tegen de Staat. In dat kort geding heeft [eiser] onder meer gevorderd de Staat te bevelen het certificaat voor de strafoverdracht in te trekken, om de tenuitvoerlegging van de straf (al dan niet door middel van het toekennen van strafonderbreking) te beëindigen en om de Ierse autoriteiten specifieke garanties te vragen voor zijn persoonlijke veiligheid en de voorzieningen in Ierse detentie. Bij vonnis in kort geding van 5 september 2025 heeft de voorzieningenrechter [eiser] niet ontvankelijk verklaard voor wat betreft de strafonderbreking en de overige vorderingen van [eiser] afgewezen. In dit vonnis heeft de voorzieningenrechter onder meer het volgende overwogen.
  • [eiser] komt in Nederland niet in aanmerking voor de v.i.-regeling. De strafoverdracht aan Ierland levert daarom niet zonder meer strafverzwaring op. Het is aan de Ierse autoriteiten om te bepalen of en in hoeverre zij, mede in het licht van hun verplichtingen op grond van het Kaderbesluit 2008-909, ter voorkoming van strafverzwaring, willen aansluiten bij de Nederlandse v.i.-regeling;
  • De RSJ heeft de beslissing van de minister om geen strafonderbreking toe te kennen in stand heeft gelaten. De beroepsprocedure bij de RSJ is een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang en [eiser] is daarom niet ontvankelijk in zijn vordering om de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf te beëindigen;
  • De Staat kan door middel van het verlangen van garanties voorkomen dat [eiser] zal worden blootgesteld aan onaanvaardbare detentieomstandigheden. Het spreekt voor zich dat de Staat hierbij bijzondere aandacht zal behoren te besteden aan onder meer het rapport van CPT van 24 juli 2025 en het (mogelijke) gevaar voor de lichamelijke integriteit van [eiser] die heeft gewezen op de kans dat hij in Ierse detentie wordt geconfronteerd met wraakacties. Nu de Staat conform de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden garanties aan Ierland heeft gevraagd en nog in afwachting is van de gevraagde garanties en de Staat ook ter zitting kenbaar heeft gemaakt de reactie op het verzoek goed te zullen bestuderen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding tot een veroordeling van de Staat.
2.9.
Na het aanhangig maken van dit kort geding heeft [eiser] opnieuw een verzoek tot strafonderbreking gedaan.
2.10.
Bij bericht van 5 maart 2026 heeft de Staat aan de Ierse autoriteiten laten weten dat [eiser] opnieuw een verzoek tot strafonderbreking heeft gedaan en dat het uitblijven van garanties tot gevolg kan hebben dat [eiser] in vrijheid wordt gesteld zonder de mogelijkheid te hebben om bijzondere voorwaarden op te leggen of toezicht vorm te geven.
2.11.
Bij beslissing van 30 maart 2026 heeft (de selectiefunctionaris namens) de minister [eiser] verzoek tot strafonderbreking afgewezen, onder meer omdat de voorgenomen strafoverdracht een contra-indicatie vormt. Daarnaast heeft de minister gewezen op de openstaande schadevergoedingsmaatregel en de geschokte rechtsorde die ook contra-indicaties vormen voor het verlenen van een strafonderbreking. In dit besluit is met verwijzing naar het door de RSJ uitgebrachte Advies wijziging Besluit USB in verband met strafonderbreking van 4 mei 2023 overwogen dat er nog altijd zicht is op strafoverdracht binnen een redelijke termijn, omdat er nog geen anderhalf jaar is verstreken sinds het toesturen van het verzoek aan de Ierse autoriteiten en omdat de Ierse autoriteiten nog recent zijn gewezen op de mogelijke gevolgen van het uitblijven van een inhoudelijke reactie.
Tegen deze beslissing heeft [eiser] beroep ingesteld bij de RSJ.
2.12.
Op 22 april 2026 had de Staat met betrekking tot het verzoek tot strafoverdracht nog altijd geen inhoudelijke reactie ontvangen van de Ierse autoriteiten.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
1. de Staat te bevelen om binnen twee dagen na dit vonnis het [eiser] betreffende certificaat zoals bedoeld in Kaderbesluit 2008/909/JBZ, in te trekken en ingetrokken te houden tenzij de Staat binnen deze termijn de volgende concrete en specifieke garanties zal hebben gevraagd en deze garanties binnen een maand nadien zullen zijn gegeven met betrekking tot:
- volstrekte veiligheid voor en bescherming van de persoon van [eiser] in Ierse detentie tegen de achtergrond van het delict waarvoor hij is veroordeeld;
- een persoonlijke ruimte op cel (exclusief sanitaire ruimten) van tenminste 3 m2;
- het steeds beschikken over een eigen bed met matras;
- het hebben van betekenisvolle activiteiten buiten zijn cel gedurende tenminste 3 uren per dag, ook wanneer hij in verband met zijn veiligheid zal worden geplaatst in een apart regime zoals het
restricted regime under rule;
2. de Staat te bevelen om [eiser] na het verstrijken van de termijnen bedoeld onder 1. binnen 14 dagen strafonderbreking te verlenen en [eiser] met strafonderbreking uit te zetten naar Ierland;
een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de Staat in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag.
Op grond van de Nederlandse v.i.-regeling behoorde de gevangenisstraf van [eiser] te eindigen op of kort na [datum 2] 2025. Inmiddels is ook de Ierse v.i.-datum verstreken. De voorgenomen overdracht van het strafrestant aan Ierland is onrechtmatig jegens [eiser] , aangezien dit alleen maar leidt tot verlenging van zijn gevangenisstraf. Daarnaast vreest [eiser] om in Ierse detentie te worden blootgesteld aan bendegerelateerd geweld en voor de detentieomstandigheden in het overbelaste Ierse gevangenissysteem. Aangezien de Ierse autoriteiten nog altijd niet inhoudelijk hebben gereageerd op het verzoek tot strafoverdracht, bestaat de kans dat de strafoverdracht uiteindelijk zal afketsen op de onwil van of de onmogelijkheid van de Ierse autoriteiten om voldoende specifieke garanties te geven. De Staat handelt onrechtmatig jegens [eiser] door niet met de Ierse autoriteiten in overleg te treden over de vraag of zij niet alleen bereid maar ook in staat zijn om op korte termijn voldoende en concrete garanties te geven in verband met een eventuele strafoverdracht. Indien die garanties niet tijdig worden verstrekt dient het verzoek tot strafoverdracht te worden ingetrokken, zodat een nieuw verzoek tot strafonderbreking een aanzienlijk betere kans van slagen heeft. Aangezien [eiser] zijn straf iedere dag langer ziet worden en hij in onzekerheid leeft over de vraag of het strafrestant ooit op een humane en veilige wijze in Ierland ten uitvoer kan worden gelegd, heeft [eiser] bij zijn vorderingen een spoedeisend belang.
3.3.
De Staat voert verweer. De Staat concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De voorzieningenrechter is bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van [eiser] . [eiser] is echter in zijn vordering niet ontvankelijk wanneer er een andere rechter bevoegd is om kennis te nemen van het geschil en de rechtsgang bij die andere rechter ter zake van het geschil voldoende rechtsbescherming biedt. In dat verband moet worden getoetst of er voor [eiser] een met voldoende waarborgen omklede snelle rechtsgang openstaat die kan leiden tot een resultaat dat vergelijkbaar is met wat hij in kort geding heeft gevorderd.
4.2.
[eiser] vordert intrekking van het certificaat tot strafoverdracht en strafonderbreking voor het geval de Staat niet binnen de gestelde termijn overgaat tot het vragen van specifieke garanties aan de Ierse autoriteiten en die garantie vervolgens niet binnen een maand na vandaag worden verstrekt.
Strafonderbreking
4.3.
Voor zover [eiser] opnieuw strafonderbreking vordert is hij in zijn vordering niet ontvankelijk. De minister beslist over het al dan niet toekennen van strafonderbreking in de zin van de Regeling. In deze zaak heeft de minister het verzoek tot strafonderbreking afgewezen. Tegen de afwijzende beslissing van de minister staat beroep open bij de RSJ en [eiser] heeft van die beroepsmogelijkheid ook gebruik gemaakt. De beslissing in de beroepsprocedure wordt op korte termijn verwacht. De beroepsprocedure bij de RSJ is daarmee een met voldoende waarborgen omklede snelle rechtsgang die kan leiden tot een resultaat dat vergelijkbaar is met wat hij in kort geding heeft gevorderd.
Strafoverdracht en garanties
4.4.
Op grond van het Kaderbesluit 2008/909 is het uitgangspunt dat lidstaten van de Europese Unie elkaars onherroepelijke strafrechtelijke uitspraken erkennen en dat zij de daarin opgelegde vrijheidsbenemende sancties ten uitvoer leggen. De Staat heeft overeenkomstig artikel 4 van Pro het Kaderbesluit 2008/909 het voor de overdracht van het strafrestant van [eiser] aan Ierland benodigde certificaat uitgevaardigd. De achtergrond van deze strafoverdracht is onder meer dat het resocialisatie in Ierland mogelijk maakt. Invrijheidstelling – al dan niet door strafonderbreking op grond van de Regeling – zal er in de praktijk toe leiden dat [eiser] zonder enige resocialisatievoorwaarden terugkeert naar Ierland, dan wel dat hij vertrekt naar een ander land. Daarmee is het belang van strafoverdracht gegeven.
4.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat strafoverdracht alleen kan plaatsvinden indien er mede met het oog op de detentieomstandigheden in Ierland en de vrees van [eiser] voor represailles uit het criminele milieu, garanties worden verkregen van de Ierse autoriteiten. De Staat heeft met verwijzing naar het vorige tussen partijen gevoerde kort geding toegezegd dat hij de reactie van de Ierse autoriteiten afwacht en die zal bestuderen. Ter zitting heeft de Staat nogmaals verklaard dat er zonder garanties geen strafoverdracht zal plaatsvinden. Gelet op de erkenning en de verklaring van de Staat ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de Staat te gebieden specifieke garanties te bedingen bij de Ierse autoriteiten. Dit deel van de vordering van [eiser] wordt daarom afgewezen.
4.6.
Zoals in het vorige kortgedingvonnis is overwogen, levert het feit dat de strafoverdracht plaatsvindt na de Nederlandse v.i.-datum niet zonder meer een strafverzwaring op, omdat [eiser] nu eenmaal niet voor de Nederlandse v.i.-regeling in aanmerking komt. Het feit dat [eiser] (mede) door de voorgenomen strafoverdracht niet in aanmerking komt voor strafonderbreking, maakt de voorgenomen strafoverdracht ook niet onrechtmatig. Het toekennen van strafonderbreking is geen automatisme. De samenloop tussen strafoverdracht en strafonderbreking is door de wetgever ook onderkend. Gelet op het advies van de RSJ [1] van 4 mei 2023 gaat strafoverdracht voor op strafonderbreking zolang er zicht bestaat op strafoverdracht binnen een redelijke termijn. In dit advies wordt voor de uitleg van wat een redelijke termijn is aansluiting gezocht bij jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak met betrekking tot ‘zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn’, waarin wordt uitgegaan van een termijn van in beginsel een half jaar, die met een jaar kan worden verlengd wanneer er meer tijd nodig is.
4.7.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bestaat er op dit moment geen concreet zicht op strafoverdracht binnen een redelijke termijn. De Ierse autoriteiten hebben ondanks meerdere herinneringen van de Staat nog altijd niet inhoudelijk gereageerd op het verzoek tot strafoverdracht, dat op 12 maart 2025 is gedaan. Ter zitting heeft de Staat verklaard dat hij in september 2025 op verzoek van de Ierse autoriteiten vertalingen van bepaalde documenten heeft verstrekt en dat hij nadien alleen ontvangstbevestigingen heeft ontvangen. Dit maakt dat het ruim een jaar na het verzoek tot strafoverdracht nog altijd onduidelijk is of de Ierse autoriteiten bereid en in staat zijn garanties te verstrekken en of deze volgens de Staat afdoende zijn. Het is daarbij onduidelijk waarom de inhoudelijke reactie van de Ierse autoriteiten op zich laat wachten en wanneer deze reactie wel mag worden verwacht.
4.8.
Het standpunt van de Staat dat de Ierse autoriteiten tot anderhalf jaar na verzending van het verzoek tot strafoverdracht en daarom tot 12 september 2026 de tijd zou moeten worden geboden om inhoudelijk te reageren wordt niet gevolgd. Gelet op het eerder aangehaalde advies van 4 mei 2023 neemt de voorzieningenrechter tot uitgangspunt dat er zicht moet zijn op feitelijke overbrenging binnen de gestelde termijn, die in beginsel een half jaar is. Het is niet onredelijk dat die termijn in verband met de door de Ierse autoriteiten te verstrekken garanties wordt verlengd tot anderhalf jaar, maar dan moet er wel sprake zijn van concreet zicht op feitelijke overbrenging binnen die termijn. Dat concrete zicht ontbreekt hier. Niet alleen is het onduidelijk of en wanneer een inhoudelijke reactie van de Ierse autoriteiten mag worden verwacht, maar op dit moment is het ook nog onzeker of de te verstrekken garanties afdoende zijn, zodat ook onzeker is of feitelijke overbrenging binnen enkele weken na die inhoudelijke reactie te verwachten is. Deze onzekerheid weegt zwaar, aangezien de vrees van [eiser] dat hij in Ierse detentie wordt geconfronteerd met wraakacties uit het criminele milieu op geen enkele wijze is weggenomen. Daar komt bij dat [eiser] onweersproken heeft gesteld dat hij in Ierland na drie kwart van zijn straf voor voorwaardelijke invrijheidstelling (
remission) in aanmerking zou komen, en dat die datum inmiddels is verstreken, terwijl het onduidelijk is of en hoe die voorwaardelijke invrijheidstelling in de tenuitvoerlegging in Ierland zal worden verdisconteerd.
4.9.
Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het verzoek tot strafoverdracht dient te worden ingetrokken, indien de Ierse autoriteiten niet binnen afzienbare tijd alsnog met een inhoudelijke reactie komen die concreet zicht geeft op feitelijke overbrenging van [eiser] in het kader van de strafoverdracht. De voorzieningenrechter acht een termijn tot 12 juni 2026 hiervoor redelijk. De vordering tot intrekking van het certificaat tot strafoverdracht wordt daarom toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld. De overige vorderingen van [eiser] worden afgewezen.
4.10.
Met deze uitkomst zijn partijen over en weer in het ongelijk gesteld en daarin ziet de voorzieningenrechter aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat elke partij de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
beveelt de Staat om het certificaat zoals bedoeld in Kaderbesluit 2008/909/JBZ in te trekken en ingetrokken te houden tenzij de Staat vóór 12 juni 2026 een inhoudelijke reactie zal hebben verkregen van de Ierse autoriteiten die concreet zicht geeft op feitelijke overbrenging van [eiser] in het kader van de strafoverdracht;
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026.
WJ

Voetnoten

1.Advies wijziging Besluit USB in verband met strafonderbreking