Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11575

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
C/09/680881 / FA RK 25-1442
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging gezamenlijk gezag naar eenhoofdig gezag moeder over minderjarige

De moeder verzocht de rechtbank om het gezamenlijk gezag over de minderjarige te wijzigen in eenhoofdig gezag ten gunste van haarzelf. De rechtbank had eerder een onderzoek gelast door de Raad voor de Kinderbescherming, die aanvankelijk adviseerde het verzoek aan te houden om de communicatie tussen ouders te verbeteren.

Tijdens de zitting verscheen de moeder, maar de vader was ondanks oproeping afwezig. De minderjarige heeft zich uitgelaten over het verzoek. De Raad concludeerde dat er sinds 2021 feitelijk al sprake was van eenhoofdig gezag bij de moeder vanwege het gebrek aan contact met de vader.

De moeder gaf aan dat de vader al ruim vier jaar geen rol speelt in het leven van de minderjarige en dat het moeizame contact het nemen van gezagsbeslissingen bemoeilijkt. De rechtbank constateerde dat de vader geen actie onderneemt om de situatie te verbeteren en dat voortzetting van gezamenlijk gezag een onaanvaardbaar risico inhoudt dat de minderjarige klem komt te zitten.

De rechtbank wees het verzoek toe en belastte de moeder met het eenhoofdig gezag, waarbij zij tevens verklaarde dat er geen verhuisplannen naar het buitenland zijn. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en vervangt eerdere beslissingen.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt het gezamenlijk gezag en kent het eenhoofdig gezag toe aan de moeder over de minderjarige.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-1442
Zaaknummer: C/09/680881
Datum beschikking: 1 april 2026

Gezag

Beschikking op het op 26 februari 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.M.C. Wittens te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Procedure

Bij beschikking van 13 mei 2025 van deze rechtbank is een beslissing ten aanzien van het gezag aangehouden en de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) verzocht een onderzoek te verrichten, alsmede de rechtbank te rapporteren en te adviseren.
De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
- het bericht van 16 oktober 2025 namens de moeder;
- het rapport en advies van de Raad voor de Kinderbescherming te ’s-Gravenhage van 25 november 2025 [kenmerk] ;
- de brief van 16 februari 2026 namens de moeder, met bijlagen.
Op 4 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- [naam] namens de Raad.
De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De [minderjarige] heeft zich op 3 maart 2026 bij de rechtbank uitgelaten over het voorliggende verzoek.

Beoordeling

De Raad heeft naar aanleiding van de tussenbeschikking van 13 mei 2025 een onderzoek uitgevoerd naar de vragen:
- Is wijziging van het gezamenlijk gezag naar eenhoofdig gezag van de moeder in het belang van [minderjarige] ?
- Wat is nodig om de communicatie tussen de vader en de moeder te verbeteren?
- Is contact tussen de vader en [minderjarige] in het belang van [minderjarige] en zo ja, op welke manier dient dit contact te worden vormgegeven?
Het verzoek tot eenhoofdig gezag ligt thans als enig verzoek voor.
Standpunt van de Raad
In het rapport heeft de Raad geadviseerd om het verzoek tot eenhoofdig gezag aan te houden voor negen maanden. Hoewel de Raad moeite had om de vader te bereiken en met hem in contact te komen, zag de Raad tijdens het raadsonderzoek toch mogelijkheden en draagvlak bij de ouders om te werken aan hun communicatie. Tijdens de mondelinge behandeling kwam de Raad tot een andere conclusie. De Raad gaf toen veel betekenis aan het feit dat de vader niet verschenen was. Zijn afwezigheid in combinatie met het feit dat de moeder sinds 2021 nauwelijks contact met de vader kan krijgen, zorgt er volgens de Raad voor dat er de facto sinds 2021 al sprake is van eenhoofdig gezag bij de moeder. De Raad kan zich daarom alsnog vinden in het verzoek om de moeder met eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten.
Standpunt van de moeder
De moeder geeft aan dat de vader al ruim vier jaar geen vaderrol speelt in het leven van [minderjarige] . Er is nauwelijks contact met de vader te krijgen en hij heeft geen contact met [minderjarige] . Het contact dat er met de vader is, verloopt dusdanig moeizaam waardoor gezagsbeslissingen over [minderjarige] lastig genomen kunnen worden. De moeder geeft aan dat het laatste contact met de vader in september 2025 was waarbij de moeder vroeg om toestemming voor een vakantie naar Spanje. De vader beloofde de getekende stukken langs te brengen, maar dit heeft hij niet gedaan waardoor de moeder genoodzaakt was vervangende toestemming bij de rechtbank te vragen. Bij voortzetting van het gezamenlijk gezag bestaat er volgens de moeder een reëel risico dat [minderjarige] klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders.
Overwegingen van de rechtbank
De rechtbank constateert dat de geadviseerde hulpverlening nog niet tot stand is gekomen en dat zowel de moeder, als de Raad nauwelijks contact kunnen krijgen met de vader. De vader onderneemt zelf ook geen actie om de situatie te verbeteren en het contact met [minderjarige] te herstellen, ondanks dat daartoe voldoende handvaten zijn aangereikt. Gebleken is dat de moeder door de slechte communicatie met de vader wordt belemmerd in de uitoefening van haar gezag. De rechtbank is van oordeel dat niet te verwachten valt dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou kunnen komen. Bij voortzetting van het gezamenlijk gezag bestaat er onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders. De enige zorg van de rechtbank heeft de moeder tijdens de mondelinge behandeling weg kunnen nemen. Uit het raadsonderzoek bleek namelijk dat [minderjarige] bij de raadsonderzoeker sprak over een verhuizing naar het buitenland met haar moeder en haar nieuwe partner. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling ondubbelzinnig aangegeven dat er geen verhuisplannen zijn. De rechtbank is door de verklaring van moeder voldoende gerustgesteld en gaat ervan uit dat een verhuizing naar het buitenland niet aan de orde is.
Gelet op vorenstaande wijst de rechtbank het verzoek van de moeder toe en zal haar met het eenhoofdig gezag belasten.

BeslissingDe rechtbank –met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van

6 december 2021 en bekrachtigd door het hof op 3 mei 2023 –:
bepaalt dat voortaan alleen aan [de moeder] , geboren op
[geboortedatum 2] 1983 te [geboorteplaats 2] , het gezag zal toekomen over de [minderjarige]
, geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats 1] ,
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, kinderrechter, bijgestaan door
mr. R. Warmerdam als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 april 2026.