De rechtbank Den Haag heeft op 13 mei 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte, die wordt verdacht van mishandeling van zijn toenmalige vriendin op 23 mei 2024 in Den Haag. Tijdens de terechtzitting op 29 april 2026 is het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen verklaard. De mishandeling bestond uit meerdere slagen en schoppen tegen het gezicht, hoofd en lichaam van het slachtoffer, met zichtbaar letsel en blijvende pijn als gevolg.
De rechtbank heeft de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoonlijke omstandigheden van verdachte meegewogen. Verdachte toonde geen verantwoordelijkheid en beriep zich deels op zijn zwijgrecht. De officier van justitie eiste een taakstraf van 120 uur, terwijl de verdediging volstond met 60 uur. De rechtbank achtte 120 uur passend en geboden.
Daarnaast is de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 14 maanden gelast wegens het plegen van dit strafbare feit binnen de proeftijd. Gezien het tijdsverloop en het ontbreken van verdere delicten, is besloten de gevangenisstraf niet uit te voeren, maar te vervangen door een taakstraf van 120 uur, met 30 dagen hechtenis als vervanging bij niet-naleving.
De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot de taakstraf van 120 uur en gelast de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf in de vorm van deze taakstraf en subsidiair hechtenis. Het vonnis is gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag.