Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11635

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
09/357278-24 en 23/001163-22 (tul)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 300 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor mishandeling en gedeeltelijke tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf

De rechtbank Den Haag heeft op 13 mei 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte, die wordt verdacht van mishandeling van zijn toenmalige vriendin op 23 mei 2024 in Den Haag. Tijdens de terechtzitting op 29 april 2026 is het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen verklaard. De mishandeling bestond uit meerdere slagen en schoppen tegen het gezicht, hoofd en lichaam van het slachtoffer, met zichtbaar letsel en blijvende pijn als gevolg.

De rechtbank heeft de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoonlijke omstandigheden van verdachte meegewogen. Verdachte toonde geen verantwoordelijkheid en beriep zich deels op zijn zwijgrecht. De officier van justitie eiste een taakstraf van 120 uur, terwijl de verdediging volstond met 60 uur. De rechtbank achtte 120 uur passend en geboden.

Daarnaast is de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 14 maanden gelast wegens het plegen van dit strafbare feit binnen de proeftijd. Gezien het tijdsverloop en het ontbreken van verdere delicten, is besloten de gevangenisstraf niet uit te voeren, maar te vervangen door een taakstraf van 120 uur, met 30 dagen hechtenis als vervanging bij niet-naleving.

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot de taakstraf van 120 uur en gelast de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf in de vorm van deze taakstraf en subsidiair hechtenis. Het vonnis is gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 120 uur taakstraf en gedeeltelijke tenuitvoerlegging van voorwaardelijke gevangenisstraf met vervangende hechtenis.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/357278-24 en 23/001163-22 (tul)
Datum uitspraak: 13 mei 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 29 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.B. Schiphuis en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. A.E.S. Heijnen naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 23 mei 2024 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, [aangeefster] heeft mishandeld door die [aangeefster] een of meermalen in het gezicht, althans tegen het hoofd, en/of lichaam te slaan en/of schoppen.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot het tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage I de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
3.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 23 mei 2024 te 's-Gravenhage, [aangeefster] heeft mishandeld door die [aangeefster] meermalen in het gezicht, tegen het hoofd en lichaam te slaan en schoppen.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden volstaan met een taakstraf van 60 uur.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft de aangeefster, zijn toenmalige vriendin, op straat meerdere keren geslagen, geschopt en aan haar haren getrokken. Nadat de aangeefster, de verdachte en de getuige de woning van aangeefster in zijn gegaan, heeft de verdachte de aangeefster opnieuw over haar hele lichaam geslagen. Toen de aangeefster op de grond viel heeft de verdachte tegen haar hoofd en lichaam geschopt.
De verdachte heeft met deze mishandeling een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangeefster. Volgens de aangeefster was na de mishandeling haar hele gezicht kapot en zij had twee dagen later nog pijn en zichtbaar letsel. Uit de verklaringen van de aangeefster blijkt hoe veel indruk de mishandeling op haar heeft gemaakt en hetzelfde geldt, blijkens zijn verklaringen, voor de getuige. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke delicten nog lange tijd de nadelige psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden.
De directe aanleiding voor deze ernstige mishandeling lijkt te zijn geweest dat de verdachte de aangeefster zag met een andere man. Dat de verdachte zijn emoties kennelijk zo slecht onder controle heeft dat dit heeft geleid tot een hevige geweldsuitbarsting, waarbij hij zich niet heeft laten stoppen door het oog van omstanders en de interventies van de getuige, rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.
Bovendien neemt de verdachte geen verantwoordelijkheid voor zijn gedragingen, maar doet hij zich vooral voor als slachtoffer. Met betrekking tot de feiten op de tenlastelegging heeft verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen en voor wat betreft de overige omstandigheden plaatst de verdachte de schuld met name buiten zichzelf. Dit alles weegt de rechtbank ten nadele van de verdachte mee bij het bepalen van de op te leggen straf.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 28 april 2026, waaruit volgt dat de verdachte eerder is veroordeeld, maar niet (recent) voor soortgelijke strafbare feiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een brief van reclassering Nederland over de verdachte. Daaruit volgt dat het niet mogelijk was een reclasseringsadvies uit te brengen, omdat verdachte had aangegeven niet met reclassering in gesprek te willen en zijn verhaal bij de officier van justitie te willen doen.
De straf
Gezien de ernst van het bewezenverklaarde feit en de overige omstandigheden, zoals hiervoor zijn weergegeven, acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste taakstraf van 120 uur passend en geboden.

7.De vordering tot tenuitvoerlegging

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 17 november 2024 gevorderd dat de bij parketnummer 23/001163-22 door de meervoudige kamer van het gerechtshof Amsterdam op 28 maart 2024 voorwaardelijke opgelegde straf van 14 maanden, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de bovengenoemde vordering van de officier van justitie af te wijzen.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. De rechtbank ziet hierin aanleiding de (gedeeltelijke) tenuitvoerlegging van de opgelegde voorwaardelijke straf te gelasten. Mede gelet op het tijdsverloop sinds het feit en de omstandigheid dat niet blijkt dat de verdachte in de tussentijd wederom in aanraking is gekomen met politie en justitie, acht de rechtbank de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf op dit moment niet opportuun. Zij zal daarom in plaats daarvan gelasten dat de verdachte een taakstraf voor de duur van 120 uur moet verrichten, te vervangen door 30 dagen hechtenis als hij deze taakstraf niet of niet naar behoren verricht

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 300 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
mishandeling;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de tijd van
120 (HONDERDTWINTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van
60 (ZESTIG) DAGEN;
de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf;
gelast – in plaats van de overwogen last tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 14 maanden opgelegd door gerechtshof Amsterdam op 28 maart 2024, gewezen onder parketnummer 23/001163-22 – de tenuitvoerlegging van een taakstraf voor de duur van
120 (HONDERDTWINTIG) UREN, subsidiair
30 (DERTIG) DAGENvervangende hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.E. van Essen, voorzitter,
mr. F.X. Cozijn, rechter,
mr. M.R. Aaron, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L. Molenaar, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 mei 2026.