Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11647

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
NL25.46163
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing asielaanvraag niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie van 19 september 2025, waarin zijn asielaanvraag als kennelijk ongegrond werd afgewezen. De rechtbank beoordeelt of eiser procesbelang heeft bij het beroep.

Verweerder heeft gemeld dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser bevestigde dat het laatste contact op 24 september 2025 was, waarbij het beroep werd bevestigd. Uit vaste rechtspraak volgt dat als een vreemdeling zonder mededeling van verblijfplaats vertrekt, wordt aangenomen dat hij geen prijs meer stelt op internationale bescherming, tenzij recent contact met de gemachtigde is onderhouden.

De rechtbank concludeert dat er geen recent contact is geweest en dat eiser geen belang meer heeft bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.46163

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

v-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. E.H. Bokhorst),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij het besluit van 19 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep.
2. Bij bericht van 21 oktober 2025 heeft verweerder meegedeeld dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Naar aanleiding hiervan heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser verzocht om kenbaar te maken wanneer hij voor het laatst contact heeft gehad met eiser en op welke wijze dit contact heeft plaatsgevonden. De gemachtigde van eiser heeft op 27 oktober 2025 meegedeeld dat het laatste contact met eiser op 24 september 2025 heeft plaatsgevonden, waarbij hij aan eiser via e-mail heeft bevestigd beroep te hebben ingesteld.
3. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van uit wordt gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk verzochte internationale bescherming in Nederland. Dit is anders als de vreemdeling contact met zijn gemachtigde onderhoudt. De rechtbank concludeert dat uit de informatie van de gemachtigde van eiser niet blijkt dat er recent contact is geweest.
4. Gelet op het voorgaande neemt de rechtbank aan dat eiser niet langer prijs stelt op de aanvankelijke gezochte internationale bescherming in Nederland. Eiser heeft dan ook geen belang meer bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
5. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 11 mei 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.