ECLI:NL:RBDHA:2026:11656

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
NL26.20060
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.A. Bouter - Rijksen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 5.3 Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid bewaring en informatieplicht in vreemdelingenzaak

Eiser is in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij voerde aan dat de informatieplicht niet was nageleefd omdat hij de informatiebrief niet in een taal die hij begrijpt had ontvangen. De rechtbank oordeelde dat eiser de Engelse taal voldoende machtig was en dat de informatieplicht correct was nageleefd.

Daarnaast stelde eiser dat een lichter middel dan bewaring had moeten worden toegepast vanwege zijn leeftijd, achtergrond en positieve ontwikkelingen in detentie in Duitsland. De rechtbank stelde vast dat de zware en lichte gronden voor bewaring, waaronder het risico op onttrekking aan toezicht en eerdere illegale uitreis, voldoende waren en dat geen minder dwingende maatregel doeltreffend was.

De rechtbank voerde een ambtshalve toetsing uit van de rechtmatigheid van de bewaring en concludeerde dat de maatregel tot het moment van sluiting van het onderzoek rechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.20060

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),
en

verweerder van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. M.Z. Sayin, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Informatieplicht
1. Eiser voert aan dat de inbewaringstelling onrechtmatig is omdat verweerder niet heeft voldaan aan de informatieplicht van artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit (Vb). Hiertoe voert hij aan dat hij niet schriftelijk over de redenen van zijn vrijheidsontneming is geïnformeerd in een taal die hij begrijpt. Eiser spreekt Kurmanji en Duits. De informatiebrief
‘Waarom u in bewaring bent gesteld’is in het Engels uitgereikt. Volgens eiser had verweerder moeten nagaan welke taal de voorkeur van eiser had en de informatiebrief in die taal moeten uitreiken.
2. In het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser uitdrukkelijk verklaard (naast Kurmanji en Duits) de Engelse taal goed te kunnen spreken, lezen en begrijpen. In het vertrekgesprek van 14 april 2026 heeft eiser ook aangegeven de Engelse taal machtig te zijn, waarna dit gesprek in het Engels is gevoerd. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat eiser de Engelse taal onvoldoende machtig is. Eiser is dan ook schriftelijk in een taal die hij verstaat op de hoogte gebracht van de redenen waarom hij in bewaring is gesteld. Bovendien is volgens verweerder de informatiefolder met behulp van een Duitse tolk aan eiser voorgehouden. Er is daarom geen sprake van een schending van artikel 5.3, eerste lid, derde zin, van het Vb. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De bewaringsgronden
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig
is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden, bedoeld in artikel 5.1b, tweede en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
en als lichte gronden, bedoeld in artikel 5.1b, tweede en vierde lid, van het Vb, vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. De zware gronden 3a en 3b en de lichte gronden 4c en 4d, en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen de maatregel van bewaring al dragen. Er volgt namelijk uit dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Lichter middel
5. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. Hiertoe voert hij aan dat hij vanwege zijn jonge leeftijd en achtergrond in Irak niet in detentie hoort. Hoewel hij tijdens zijn minderjarigheid strafbare feiten heeft gepleegd, is hij op weg om zijn leven te beteren. Bovendien heeft hij positieve ontwikkelingen laten zien in detentie in Duitsland.
6. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter
middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft
gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Gelet op de hiervoor onder 4. genoemde dragende gronden en de toelichting op die gronden bestaat er een significant risico op onttrekking aan het toezicht. Verder heeft verweerder hierbij van belang kunnen achten dat eiser is aangetroffen in een trailer tijdens een poging tot illegale uitreis naar het Verenigd Koninkrijk. Voor zover eiser stelt dat vreemdelingenbewaring voor hem onevenredig bezwarend is, volgt de rechtbank hem hierin niet. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij detentieongeschikt is vanwege zijn leeftijd en gestelde achtergrond in Irak. Zijn persoonlijke omstandigheden kan eiser in zijn asielprocedure in Duitsland naar voren brengen. In dat kader zal ook een beoordeling van het refoulementrisico plaatsvinden. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
8. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van
Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding
afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Derksen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.