ECLI:NL:RBDHA:2026:11671

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
NL25.60083
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30b VwArt. 62 VwArt. 66a VwArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag als kennelijk ongegrond wegens niet-geloofwaardige identiteit en late aanvraag

Eiser, een Turkse staatsburger van Koerdische en Alevitische afkomst, diende op 17 maart 2024 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder wees deze aanvraag op 1 december 2025 af als kennelijk ongegrond, onder meer vanwege het ontbreken van geloofwaardige identificatiedocumenten en het late tijdstip van indiening.

Eiser voerde aan dat hij zijn documenten op advies van een smokkelaar had weggegooid en dat zijn beperkte capaciteiten onvoldoende werden meegewogen tijdens het gehoor. Ook stelde hij dat zijn uitingen op sociale media apart beoordeeld moesten worden en dat er sprake was van afhankelijkheid van familieleden in Nederland. De rechtbank oordeelde dat het weggooien van documenten niet verschoonbaar was, de identiteit niet geloofwaardig kon worden vastgesteld en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de Turkse autoriteiten hem vanwege sociale media zouden vervolgen.

Verder werd geoordeeld dat eiser zijn asielaanvraag niet tijdig had ingediend en dat het vermijden van de Dublinprocedure geen verschoonbare reden vormde. De rechtbank vond dat verweerder terecht het terugkeerbesluit en het inreisverbod had opgelegd, aangezien er geen beschermenswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro bestond.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.60083

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Hoesseinbaks).

Procesverloop

Met het besluit van 1 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 6 mei 2026 in Breda op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2000 en de Turkse nationaliteit te hebben. Op 17 maart 2024 heeft hij een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d en h, van de Vw. [1] Eiser heeft verklaard dat hij zijn paspoort en identiteitskaart heeft weggegooid. Daarnaast is hij eind mei 2023 Nederland ingereisd en heeft hij pas op 17 maart 2024 asiel aangevraagd. Verder acht verweerder de identiteit van eiser niet geloofwaardig. De door eiser gestelde problemen omdat hij Koerd en Aleviet is, acht verweerder geloofwaardig, maar onvoldoende zwaarwegend voor verlening van een asielvergunning.
3. Eiser heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat de problemen die hij vreest vanwege zijn uitingen op sociale media ten onrechte niet als apart element zijn beoordeeld door verweerder. Daarnaast dient er maatwerk plaats te vinden bij een gehoor. De capaciteiten van eiser zijn beperkt, zodat het herhalen van vragen niet voldoende was. Ook is de besluitvorming van verweerder voor wat betreft de context van eisers asielrelaas niet gebaseerd op landeninformatie. Verder stelt eiser dat hij niet te kwader trouw was bij het weggooien van zijn identiteitsdocumenten, hij deed dit op advies van de smokkelaar en hij was bang te worden teruggestuurd. Ter onderbouwing van zijn identiteit overlegt hij kopieën van zijn paspoort en identiteitskaart. Ook stelt eiser dat hij niet geheel uit vrije keuze in Nederland bij zijn dorpsgenoot verbleef en zijn situatie kon overzien, daarom heeft hij zijn asielaanvraag verlaat ingediend. Verder stelt eiser dat het feit dat hij niet in hetzelfde AZC verblijft als zijn broer niet betekent dat er geen afhankelijkheid is. Verweerder heeft daar te weinig onderzoek naar gedaan. Tot slot hadden het terugkeerbesluit en het inreisverbod volgens eiser niet opgelegd mogen worden, omdat er geen zorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgevonden.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Identiteit
4. Niet in geschil is dat eiser geen identificerende documenten heeft overgelegd. Dat eiser zijn paspoort en identiteitskaart heeft weggegooid op advies van de smokkelaar maakt het weggooien niet verschoonbaar. Uit eisers verklaringen blijkt niet dat er sprake is geweest van dwang. Bovendien is eiser legaal Nederland ingereisd met de genoemde documenten, zodat er geen reden was zich daarvan te ontdoen. Eiser heeft in beroep kopieën van zijn paspoort en identiteitskaart overgelegd, maar deze kunnen niet op echtheid worden gecontroleerd. Eiser heeft zich niet ingespannen om aan nieuwe documenten te komen. Verder is relevant dat eiser in Zwitserland een andere naam en geboortedatum heeft opgegeven dan in Nederland. Gelet op deze omstandigheden acht verweerder de identiteit van eiser niet ten onrechte niet geloofwaardig.
Beoordeling asielrelaas: referentiekader en landeninformatie
5. Zoals eiser ter zitting heeft erkend, heeft verweerder zijn referentiekader expliciet meegenomen bij de beoordeling van zijn asielrelaas. [2] Daarbij is ook vermeld dat gebleken is dat eiser moeite heeft met het begrijpen van sommige vragen. Hiermee is aantoonbaar rekening gehouden tijdens het gehoor door op verschillende manieren vragen te stellen. Eiser maakt niet duidelijk waarom dit onvoldoende zou zijn en wat verweerder hierdoor zou hebben gemist. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat verweerder, gelet op zijn referentiekader, het relaas onjuist heeft beoordeeld.
6. De rechtbank volgt eiser niet in de stelling dat het aan verweerder was om de context van de beoordeling van zijn relaas met landeninformatie te onderbouwen. Als eiser van mening is dat verweerder zijn relaas in de context van landeninformatie onjuist beoordeeld heeft, dan is het aan hem om relevante landeninformatie aan te halen om dat aan te tonen. Dat heeft hij nagelaten.
Uitingen op sociale media
7. Eiser heeft verklaard dat hij één keer per jaar naar de Newruz-viering gaat en daarvan beelden op sociale media plaatst. Dit heeft hij twee keer gedaan. [3] Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij meer of andere uitingen op sociale media heeft geplaatst. Verweerder heeft hierover niet ten onrechte gesteld dat het niet aannemelijk is dat de Turkse autoriteiten op de hoogte zullen raken van de berichten die eiser op sociale media heeft geplaatst. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij hierdoor in de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten staat. Verder heeft verweerder de uitingen op sociale media niet als apart element hoeven beoordelen, omdat dit mede gelet op de inhoud van de twee geplaatste berichten nauw samenhangt met de problemen vanwege het Koerd zijn en in dat kader door verweerder beoordeeld is.
Reguliere verblijfsvergunning
8. Voor zover eiser stelt dat hij aanspraak maakt op een reguliere verblijfsvergunning op humanitaire gronden, heeft te gelden dat verweerder niet ten onrechte heeft gesteld dat niet gebleken is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en zijn broer en zus die in Nederland verblijven. Eiser heeft gronden aangevoerd tegen wat verweerder heeft overwogen over het feit dat hij niet samenwoont met zijn broer, maar verweerder heeft er terecht op gewezen dat dit niet het enige is dat in het kader van deze beoordeling van belang is. [4] Eiser heeft op geen enkele wijze aangetoond dat er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie die de gebruikelijke banden tussen broers en zussen overstijgen. Er is dan ook geen sprake van gezinsleven dat bescherming behoeft in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. [5]
Kennelijk ongegrond
9. Eiser heeft verklaard dat hij eind mei 2023 Nederland is ingereisd. Hij heeft echter pas op 17 maart 2024, ruim negen maanden later, een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft zich dus niet zo snel mogelijk gemeld en kenbaar gemaakt dat hij internationale bescherming wenst. Dat eiser de Dublinprocedure wilde ontwijken is hiervoor geen verschoonbare reden. Bovendien is eiser pas naar een AZC gegaan om zich te melden nadat hij was aangehouden door de politie, niet na ommekomst van de Dublintermijn van zes maanden. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser dan ook terecht kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw. De andere grond voor het kennelijk ongegrond verklaren behoeft daarom geen bespreking meer.
Terugkeerbesluit en inreisverbod
10. Omdat verweerder de asielaanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond, heeft hij op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw ook kunnen bepalen dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten. Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw heeft verweerder ook terecht een inreisverbod tegen eiser uitgevaardigd. Omdat er geen sprake is van beschermenswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM, vormt dit geen beletsel voor het opleggen van het terugkeerbesluit en het inreisverbod. Verweerder hoefde daarom niet af te zien van het opleggen van een inreisverbod met toepassing van artikel 66a, achtste lid, van de Vw.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 13 mei 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Zie p. 2 van het voornemen.
3.Zie p. 14 van het verslag van het nader gehoor.
4.Zie ook p. 9 van het bestreden besluit waarin de factoren die relevant kunnen zijn worden benoemd.
5.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.