Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11688

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
09/022133-26
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36b SrArt. 36d SrArt. 43a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak voor wapenbezit en veroordeling voor wapenhandel met gevangenisstraf

De rechtbank Den Haag heeft op 13 mei 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van meerdere feiten waaronder wapenbezit, het voorhanden hebben van gegevens bestemd tot het plegen van een misdrijf, en wapenhandel.

De rechtbank sprak de verdachte vrij van de feiten betreffende wapenbezit en het voorhanden hebben van misdaadgegevens, omdat deze niet wettig en overtuigend konden worden bewezen. De foto's van vermeende vuurwapens konden niet met zekerheid worden vastgesteld als echte wapens en er was onvoldoende informatie over de aangetroffen sms-berichten en leadlijsten.

Voor het feit van wapenhandel oordeelde de rechtbank dat de verdachte als tussenpersoon handelde en wapens verhandelde in de zin van de Wet wapens en munitie. Dit werd bewezen door chatberichten en het aanbieden van wapens. De rechtbank veroordeelde de verdachte tot een gevangenisstraf van drie maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest. Tevens werden twee telefoons in beslag genomen, waarvan één verbeurdverklaard en één onttrokken aan het verkeer.

De rechtbank hield rekening met het strafblad van de verdachte en het feit dat hij binnen vijf jaar na een eerdere veroordeling wederom soortgelijke feiten had gepleegd. De opgelegde straf werd als passend beschouwd gezien de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van wapenbezit en bezit van misdaadgegevens, veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf voor wapenhandel.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/022133-26
Datum uitspraak: 13 mei 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteland] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 29 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. I.G.M. Oostrom en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. L.A. Versteegh naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, die is gewijzigd op de terechtzitting van 29 april 2026. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover relevant – ingegaan.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair namens de verdachte integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt gesteld dat enkel het onderdeel ‘onderhandelen’ bewezen kan worden verklaard voor de periode 19 tot en met 20 januari 2025.
Op specifieke verweren wordt hierna – voor zover relevant – ingegaan.
3.3.
Vrijspraak ten aanzien van feiten 2, 3 en 4
De rechtbank is met betrekking tot de onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten niet wettig en overtuigend zijn bewezen. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.
Feiten 2 en 3: wapenbezit
Het procesdossier bevat verschillende foto’s waarop de verdachte met voorwerpen te zien is die op vuurwapens lijken. De verbalisant die de voorwerpen op de foto’s heeft beoordeeld, heeft geconcludeerd dat met een hoge mate van waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat op de foto’s echte vuurwapens te zien zijn. De verbalisant stelt echter ook dat hij pas nadat hij de voorwerpen fysiek in handen heeft gehad voor nader onderzoek, met zekerheid kan vaststellen of het om echte vuurwapens gaat. Gelet op het feit dat het voorgaande niet weerlegt dat de voorwerpen – zoals de verdachte heeft verklaard – slechts op vuurwapens gelijkende voorwerpen zijn, is de rechtbank van oordeel dat niet buiten gerede twijfel kan worden vastgesteld dat de voorwerpen waarmee de verdachte op de foto’s te zien is, echte vuurwapens zijn geweest.
De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten.
Feit 4 primair en subsidiair: het voorhanden hebben van gegevens bestemd tot het plegen van een misdrijf dan wel het voorhanden hebben van niet-openbare gegevens uit misdrijf afkomstig
Uit het procesdossier blijkt dat in de telefoons die onder de verdachte in beslag zijn genomen zogeheten leadlijsten en verstuurde sms-berichten die zien op zogeheten ‘vriend-in-noodfraude’ zijn aangetroffen. Nadere informatie over de aangetroffen sms-berichten en leadlijsten is niet verstrekt en bevindt zich niet in het dossier. De rechtbank is derhalve van oordeel dat er onvoldoende informatie bekend is om buiten gerede twijfel vast te stellen dat deze bestemd waren tot het plegen van enig misdrijf dan wel uit misdrijf afkomstig waren.
De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van de onder 4 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten.
Overweging ten aanzien van rechtmatigheidsverweer
De verdediging heeft zich ten aanzien van feiten 2, 3 en 4 op het standpunt gesteld dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Het bewijs afkomstig uit de onder de verdachte inbeslaggenomen telefoon zou onrechtmatig verkregen zijn, nu er reeds volledige toegang was tot (en onderzoek was verricht aan) de telefoon voordat de rechter-commissaris hiertoe een machtiging had afgegeven. Bovendien zou de toegangscode van de telefoon onder valse voorwendselen zijn verkregen door de verdachte opzettelijk in beeld van een camera zijn telefoon te laten ontgrendelen. Dit zou een schending opleveren van het nemo-teneturbeginsel en het bepaalde artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Nu de rechtbank reeds van oordeel is dat feiten 2, 3 en 4 niet bewezen kunnen worden verklaard, zal zij het verweer om die reden onbesproken laten.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1
De rechtbank heeft in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.5.
Bewijsoverwegingen
Sinds de wijziging van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM) van 23 juni 2019 moet worden uitgegaan van een ruime interpretatie van de term ‘verhandelen’ onder artikel 9, eerste lid, WWM. Daaronder vallen sindsdien ook de activiteiten van een zogenoemde wapenmakelaar. Een wapenmakelaar is de natuurlijke persoon of rechtspersoon wiens handel geheel of gedeeltelijk bestaat uit het onderhandelen over of regelen van transacties voor de aankoop, verkoop of levering van vuurwapens, essentiële onderdelen daarvan of munitie.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 27 oktober 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1693) volgt dat handelen ‘in de uitoefening van een bedrijf’ in de zin van artikel 9, eerste lid, WWM zowel door natuurlijke personen als rechtspersonen kan worden verricht. Onder ‘handelen’ vallen zowel de activiteiten van de wapenhandelaar, die wapens in bezit heeft, als de activiteiten van de wapenmakelaar, die niet zelf wapens in bezit heeft, maar slechts als tussenpersoon fungeert.
Gelet op de aard en inhoud van de beschreven chatberichten tussen de verdachte en de pseudokoper over de beschikbaarheid en prijzen van wapens, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte, minst genomen als een tussenpersoon, heeft onderhandeld over transacties voor de aankoop, verkoop of levering van wapens. Uit de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen blijkt verder dat de verdachte in de betreffende periode naarstig bezig was met het aanbieden van wapens. Hieruit kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat het handelen van de verdachte een min of meer bedrijfsmatig karakter had. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte wapens heeft verhandeld in de zin van artikel 9, eerste lid, WWM.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van de verdachte dat slechts sprake is geweest van stoerdoenerij, niet voldoende aannemelijk is geworden. De rechtbank wijst in dit verband op de hoeveelheid aangetroffen afbeeldingen van vuurwapens (dan wel van voorwerpen die nauwelijks van echte vuurwapens te zijn onderscheiden) in de telefoon van de verdachte en zijn kennelijke bereidheid om met een voor hem onbekend persoon daadwerkelijk een locatie af te spreken voor een overdracht.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het onder 1 primair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op
meerderetijdstippen in de periode van
19 januari 2026tot en met 20 januari 2026 te Delft zonder erkenning, in de uitoefening van een bedrijf, heeft onderhandeld over de verkoop en levering van wapens, door
- een of meer Snapchatberichten te plaatsen en te sturen naar een
persoon, en
- in die berichten contact te zoeken met potentiële afnemers en aan te sturen op de verkoop van wapens door wapens aan te bieden en afspraken te maken over prijzen en ontmoetingen en door foto's met daarop wapens te sturen,
zulks terwijl tijdens het plegen van dit misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte geen standpunt ingenomen ten aanzien van de op te leggen straf.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich bezig gehouden met wapenhandel. Het ongecontroleerd bezit van wapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en leidt tot grote onveiligheid in de maatschappij. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan het in stand houden van deze (gevoelens van) onveiligheid. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 28 april 2026. Daaruit volgt dat de verdachte voorafgaand aan het begaan van het bewezen verklaarde eerder is veroordeeld tot gevangenisstraffen wegens soortgelijke misdrijven. Deze veroordelingen zijn onherroepelijk. De verdachte heeft zich binnen vijf jaar na het onherroepelijk worden van voormelde veroordelingen wederom schuldig gemaakt aan soortgelijke misdrijven. De rechtbank weegt deze omstandigheid met inachtneming van art. 43a Sr ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting. Zij acht het zorgelijk dat de verdachte zo kort na deze eerdere veroordeling, wederom in aanraking komt met politie en justitie in het kader van een zelfde soort feit.
De op te leggen straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.

7.De inbeslaggenomen voorwerpen

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de Apple iPhone 16 Pro Max met goednummer PL1500-2026021598-3449896 en Samsung Galaxy Note 5 met goednummer DH5R026009_882788 zullen worden verbeurdverklaard.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de Apple iPhone 16 Pro Max met goednummer PL1500-2026021598-3449896 verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit voorwerp aan verdachte toebehoort en met behulp van dit voorwerp het bewezenverklaarde feit is begaan. Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
Voorts zal de rechtbank de Samsung Galaxy Note 5 met goednummer DH5R026009_882788 onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien dit aan de dader of verdachte toebehorende voorwerp bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, dan wel de feiten waarvan hij wordt verdacht, is aangetroffen, terwijl het voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan en dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
- 33, 33 a, 36b, 36d en 43a van het Wetboek van Strafrecht;
- 9 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
handelen in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sinds een vroegere veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
3 (drie) maanden;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
de inbeslaggenomen goederen;
verklaart verbeurd het voorwerp, te weten: een Apple iPhone 16 Pro Max met goednummer PL1500-2026021598-3449896;
verklaart onttrokken aan het verkeer het voorwerp, te weten: een Samsung Galaxy Note 5 met goednummer DH5R026009_882788.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.X. Cozijn, voorzitter,
mr. M.R. Aaron, rechter,
mr. J.E. van Essen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L. Molenaar, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 mei 2026.