Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11741

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
C/09/685931 / FA RK 25-3987
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 1:253c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling omgangsregeling en aanhouding gezamenlijk gezag in belang minderjarige kinderen

De rechtbank Den Haag behandelde op 17 maart 2026 een verzoek van de moeder tot vaststelling van een omgangsregeling en gezamenlijk gezag over twee minderjarige kinderen geboren in 2015. De moeder verzocht om een omgangsregeling waarbij de kinderen om de veertien dagen van vrijdag na school tot zondag bij de vader verblijven, inclusief een vakantie- en feestdagenregeling. De vader voerde verweer en stelde een alternatieve regeling voor vanwege zijn huidige woonsituatie bij zijn moeder, die fysieke klachten heeft.

De rechtbank hield rekening met de wensen van de kinderen, die meer omgang met de vader willen en bij voorkeur gelijke tijd met beide ouders willen doorbrengen. Gezien de praktische beperkingen van de vader stelde de rechtbank een omgangsregeling vast waarbij de kinderen eenmaal per vier weken van vrijdag na school tot zondag na het avondeten en in een andere week binnen diezelfde periode van vier weken op zaterdagochtend tot na het avondeten bij de vader verblijven. De vakantie- en feestdagenregeling blijft voorlopig ongewijzigd.

Ten aanzien van het gezamenlijk gezag over de kinderen werd het verzoek aangehouden tot 15 oktober 2026, onder voorwaarde dat de ouders deelnemen aan een ouderschapsbemiddelingstraject om de communicatie en samenwerking te verbeteren. De Raad voor de Kinderbescherming is betrokken bij de monitoring van dit traject en zal eventueel onderzoek verrichten indien het traject niet succesvol blijkt.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en bevat nadere instructies voor rapportage en communicatie tussen de betrokken instanties en partijen.

Uitkomst: De rechtbank stelt een aangepaste omgangsregeling vast en houdt het verzoek tot gezamenlijk gezag aan tot na een ouderschapsbemiddelingstraject.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-3987
Zaaknummer: C/09/685931
Datum beschikking: 14 april 2026

Omgang en gezag

Beschikking op het op 28 mei 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. B.S. van Haeften te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T. de Jong te Utrecht.

Procedure

Bij beschikking van deze rechtbank van 15 juli 2025 is bepaald dat de man met ingang van 28 mei 2025 aan de vrouw een kinderalimentatiebedrag van € 300,- per maand per kind zal betalen. Voorts is iedere verdere behandeling ten aanzien van het verzoek met betrekking tot de omgangsregeling pro forma aangehouden.
De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken waaronder nu ook:
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift.
De minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op 17 maart 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Nog voorliggende verzoeken

De moeder verzoekt te bepalen dat:
  • tussen de vader en de kinderen een omgangsregeling wordt vastgesteld inhoudende dat de kinderen een keer in de veertien dagen van vrijdag na school tot zondag 19:00 uur bij de vader verblijven, waarbij de vader de kinderen uit school ophaalt en de kinderen op de zondag terug brengt naar de moeder;
  • een vakantie- en feestdagenregeling wordt vastgesteld zoals genoemd in punt 9 van het verzoekschrift;
  • althans een zodanige omgangsregeling als de rechtbank juist acht;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens verzoekt de vader zelfstandig:
  • een zorg- en contactregeling vast te stellen waarbij de kinderen eens per vier weken van zaterdagochtend tot zondag na het avondeten bij de vader verblijven en eens per vier weken vanaf zaterdagochtend tot zaterdag na het avondeten bij de vader verblijven;
  • te bepalen dat de vader voortaan samen met de moeder belast zal zijn met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] en [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] ;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist. Voor zover bij deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Vaststelling omgangsregeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een kind het recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder verzoekt om vaststelling van een omgangsregeling, nu de vader de kinderen momenteel niet regelmatig ziet. Zij acht deze situatie niet in het belang van de kinderen en benadrukt dat het voor hen van belang is een band met de vader op te bouwen en regelmatig contact met hem te hebben. Volgens de moeder staat de vader tot op heden echter niet open voor het maken van afspraken over een vaste omgangsregeling. Om die reden verzoekt de moeder een regeling vast te stellen waarbij de kinderen eenmaal per veertien dagen van vrijdag na school tot zondag 19:00 uur bij de vader verblijven. Daarbij stelt zij voor dat de vader de kinderen op vrijdag uit school ophaalt en hen op zondag terugbrengt naar de moeder.
Daarnaast wenst de moeder een vakantieregeling, zodat voor de ouders en voor de kinderen duidelijk is waar ze tijdens een vakantie verblijven. De moeder verzoekt de volgende regeling vast te stellen:
  • herfstvakantie: oneven jaren bij de vader en de even jaren bij de moeder;
  • kerstvakantie: de eerste week in de even jaren bij de vader en de tweede week in de
even jaren bij de moeder. De eerste week in de oneven jaren bij de moeder en de tweede week in de oneven jaren bij de vader;
  • voorjaarsvakantie: even jaren bij de vader, oneven jaren bij de moeder;
  • meivakantie: de eerste week in de oneven jaren bij de moeder en de tweede week in de oneven jaren bij de vader. De eerste week in de even jaren bij de vader en de tweede week in de even jaren bij de moeder;
  • zomervakantie: de eerste drie weken in de even jaren bij de moeder en de laatste drie weken in de even jaren bij de vader. De eerste drie weken in de oneven jaren bij de vader en de laatste drie weken in de oneven jaren bij de moeder;
  • kerstavond: even jaren bij de vader; oneven jaren bij de moeder;
  • Eerste kerstdag: even jaren bij de vader, oneven jaren bij de moeder;
  • Tweede kerstdag: even jaren bij de moeder en de on even jaren bij de vader;
  • Oud en Nieuw: even jaren bij de moeder, oneven jaren bij de vader.
De vader voert verweer tegen de door de moeder verzochte omgangsregeling. Hij voert daartoe aan dat hij eind 2024 de gezamenlijke woning heeft verlaten en sindsdien bij zijn moeder verblijft, waar hij nog altijd woont. De moeder van de vader is op leeftijd en kampt met fysieke klachten. Zij heeft aangegeven dat het voor haar te belastend is wanneer de kinderen eens per twee weken een heel weekend in haar woning verblijven. Omdat de vader hier rekening mee moet houden, stelt hij een alternatieve omgangsregeling voor. Hij verzoekt te bepalen dat de kinderen eenmaal per vier weken van zaterdagochtend tot zondag na het avondeten bij hem (en hun oma) verblijven. Daarnaast stelt hij voor dat hij eens per vier weken de kinderen op zaterdagochtend ophaalt en hen diezelfde dag na het avondeten weer bij de moeder thuisbrengt. Tot slot merkt de vader op dat zodra hij over eigen woonruimte beschikt, hij de door de moeder verzochte regeling kan uitvoeren.
De rechtbank overweegt als volgt. Tijdens het kindgesprek hebben de kinderen aangegeven dat zij graag meer omgang willen met de vader. Zij hebben daarbij de wens geuit om bij voorkeur evenveel tijd met beide ouders door te brengen. Deze wens is ter zitting met de ouders besproken. Gebleken is dat het voor de vader, gelet op de gezondheidssituatie van zijn moeder, feitelijk niet mogelijk is om de kinderen gedurende langere periodes bij zich te laten verblijven. De rechtbank begrijpt dat dit niet voortkomt uit onwil aan de zijde van de vader, maar uit praktische beperkingen. De vader heeft voorts verklaard dat hij, zodra hij over zelfstandige woonruimte beschikt, in staat zal zijn de door de moeder voorgestelde omgangsregeling na te komen.
Gelet op het voorgaande, en rekening houdend met de huidige woonsituatie van de vader, zal de rechtbank de navolgende omgangsregeling vaststellen. De kinderen zullen eenmaal per vier weken van vrijdag na school tot zondag na het avondeten bij de vader verblijven. Daarnaast zullen de kinderen in een andere week binnen diezelfde periode van vier weken op zaterdagochtend tot na het avondeten bij de vader verblijven. Een regeling waarbij de kinderen nog korter bij de vader zouden verblijven acht de rechtbank niet in hun belang. De rechtbank gaat er ook vanuit dat, zodra de vader over eigen woonruimte beschikt, partijen de zorgregeling gaan uitvoeren zoals die door de moeder is verzocht.
Ten aanzien van de vakanties overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank acht het, gelet op de gezondheidssituatie van de moeder van de vader, thans niet redelijk om de door de moeder voorgestelde vakantieregeling vast te stellen. Om die reden zal worden bepaald dat de reguliere zorgregeling gedurende de vakanties van toepassing blijft, tenzij partijen in onderling overleg anders overeenkomen. Ook hiervoor geldt dat de rechtbank ervan uitgaat dat partijen, zodra de vader over eigen woonruimte beschikt, de door de moeder verzochte vakantieregeling alsnog zullen uitvoeren
Gezamenlijk gezag
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253c, eerste lid, van het BW kan de tot het gezag bevoegde ouder van een minderjarige, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over de minderjarige te belasten. Ingevolge het tweede lid van artikel 1:253c BW wordt een verzoek tot gezamenlijk gezag, indien de andere ouder hiermee niet instemt, slechts afgewezen indien: (a) er een onaanvaardbaar risico bestaat dat de minderjarige klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) afwijzing anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
Tijdens de zitting is gebleken dat de communicatie tussen de ouders niet optimaal verloopt. Hoewel de moeder heeft aangegeven dat de communicatie in de afgelopen maanden is verbeterd, ervaart zij nog steeds dat het maken van afspraken moeizaam verloopt. De vader heeft dit in essentie bevestigd. Hij heeft daarbij opgemerkt dat hij zich inspant om de communicatie zo goed mogelijk te laten verlopen, maar dat dit, gelet op hetgeen zich in het verleden heeft voorgedaan, niet altijd eenvoudig is.
De Raad heeft ter zitting naar voren gebracht dat het positief is dat de kinderen het bij beide ouders naar hun zin hebben. Volgens de Raad hebben de kinderen recht op twee ouders die gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen. Hoewel de communicatie momenteel nog niet optimaal is, acht de Raad het aannemelijk dat de ouders met enige ondersteuning in staat zullen zijn deze te verbeteren. De Raad heeft de rechtbank dan ook geadviseerd om de ouders te verwijzen naar een Ouderschapsbemiddelingstraject.
Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan Ouderschapsbemiddeling. Bij dit traject kunnen de ouders werken aan de onderlinge communicatie en het wederzijds vertrouwen. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per e-mail verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan Ouderschapsbemiddeling en aanmelding bij de desbetreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal ook deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
De rechtbank verzoekt de uitvoerende hulpverleningsinstantie om, zoals op de zitting met de ouders is besproken, de eindrapportage over het verloop van Ouderschapsbemiddeling in te dienen op de hierna vermelde wijze. Als het traject niet heeft geleid tot een positief resultaat dient de instantie de eindrapportage ook tegelijkertijd te zenden aan de Raad. Aan de hand van de eindrapportage zal de Raad bezien of er een onderzoek van de Raad noodzakelijk is. De Raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage de rechtbank hierover te informeren en, indien de Raad onderzoek noodzakelijk acht, dit te verrichten en daarvan bij de rechtbank een rapport in te dienen. Deze beschikking geldt als voorwaardelijke opdracht aan de Raad om een onderzoek te verrichten voor het geval dat het traject volgens de uitvoerende hulpverleningsinstantie niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
Nu partijen zullen worden doorverwezen naar Ouderschapsbemiddeling om te werken aan de communicatie en het onderlinge vertrouwen zal de rechtbank het verzoek ten aanzien van het gezamenlijk gezag aanhouden tot in ieder geval 15 oktober 2026 pro forma. Indien het traject Ouderschapsbemiddeling niet slaagt of al voor die datum wordt afgerond dan verneemt de rechtbank dit graag zo spoedig mogelijk via de advocaten van de ouders.
Brief aan [de minderjarige 2] (en [de minderjarige 1] )
Beste [de minderjarige 2] ,
Ik ben de kinderrechter die met jou en [de minderjarige 1] heeft gepraat over de rechtszaak tussen jullie ouders. Ik vond dat een erg leuk gesprek. [de minderjarige 1] , als je stiekem meeleest: wat ik in deze brief schrijf, geldt ook voor jou.
Ik heb het met papa en mama gehad over wanneer jullie bij papa en mama kunnen zijn. Ik heb bepaald dat jullie om het weekend bij papa zijn. De ene keer haalt hij jullie dan op vrijdag op uit school en haalt mama jullie op zondag na het avondeten weer op. Het volgende weekend zijn jullie dan bij mama. Het weekend daarna haalt papa jullie op zaterdagochtend op en haalt mama jullie dezelfde dag na het avondeten weer op.
Papa en mama zouden allebei willen dat jullie vaker naar papa gaan. Maar omdat papa bij oma woont, kan dat nu niet. Zodra papa een eigen huis heeft, gaan jullie in de weekenden langer naar hem toe. En ook in de vakanties.
Papa en mama hebben ook afgesproken dat ze samen hulp krijgen om betere afspraken te kunnen maken.
Als laatste hebben we het gehad over het gezag van papa. Dat betekent dat hij wil kunnen meebeslissen over belangrijke dingen. Zoals naar welke middelbare school jullie straks gaan. Daar bepaal ik nu nog niets over. Ik wil eerst zien hoe de hulp voor papa en mama gaat.
Veel plezier bij je volgende kickbokswedstrijd (en [de minderjarige 1] : veel plezier bij je volgende danswedstrijd).
Met vriendelijke groet,
Erik Boot
Kinderrechter

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt dat de minderjarigen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] ,
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] ,
bij de vader zullen zijn eenmaal per vier weken van vrijdag na school tot zondag na het avondeten, alsmede in een andere week binnen diezelfde periode van vier weken op zaterdagochtend tot na het avondeten;
stelt vast dat partijen, te weten:
[de moeder] , (moeder)
wonende te [adres 1] ,
en
[de vader] , (vader)
Wonende te [adres 2] ,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het hulpverleningstraject Ouderschapsbemiddeling, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar:
Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
de Raad voor de Kinderbescherming;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank vóór na te melden pro formadatum rapporteert omtrent het verloop van Ouderschapsbemiddeling met kopie aan beide ouders en daarvan, indien het traject niet positief is verlopen, gelijktijdig een afschrift aan de Raad voor de Kinderbescherming stuurt;
bepaalt dat de griffier binnen één week na ontvangst van de rapportage van een niet positief verlopen traject een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming toestuurt;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming bij een niet positief verlopen traject te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen, de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren en, indien dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing
ten aanzien van het gezagaan
tot 15 oktober 2026.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boot, kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Visser als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2026.