Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11748

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
C/09/699759 / KG ZA 26-177
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing naar omgangsbegeleiding in omgangsgeschil na melding huiselijk geweld

Partijen, gehuwd in 2021, zijn ouders van drie jonge kinderen en oefenen gezamenlijk gezag uit. De moeder verliet in februari 2026 de gezamenlijke woning met de kinderen en verblijft sindsdien op een geheime opvanglocatie. Zij deed aangifte van mishandeling en huiselijk geweld tegen de vader, die dit ontkent.

De vader vordert dat de moeder meewerkt aan een voorlopige zorgregeling waarbij de kinderen ieder weekend bij hem verblijven. De moeder verzet zich vanwege veiligheidszorgen en de lopende melding bij Veilig Thuis.

De voorzieningenrechter oordeelt dat onbegeleid contact momenteel niet mogelijk is vanwege de onduidelijkheid over de feiten en de veiligheidsrisico's. Partijen worden verwezen naar een omgangsbegeleidingstraject om het contact veilig en geleidelijk te herstellen. Iedere partij draagt de eigen proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en een bodemprocedure wordt verwacht.

Uitkomst: Het verzoek tot onbegeleid omgangscontact wordt afgewezen en partijen worden verwezen naar een omgangsbegeleidingstraject.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/699759 / KG ZA 26-177
Vonnis in kort geding van 14 april 2026
in de zaak van
[eiser]te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. R. Shahbazi te Den Haag,
tegen:
[gedaagde]op een geheim adres,
gedaagde,
advocaat mr. P. Celikkal te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vader’ en ‘de moeder’.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord;
- de door de vader op 30 maart 2026 overgelegde productie;
- de door de moeder op 31 maart 2026 overgelegde productie.
1.2
Op de zitting van 31 maart 2026 zijn verschenen: de vader (via videoverbinding) bijgestaan door zijn advocaat, de moeder (via videoverbinding) bijgestaan door haar advocaat en een tolk en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
1.3.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1
Partijen zijn op [datum] 2021 religieus met elkaar gehuwd in [land] .
2.2
Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2021 in [geboorteplaats 1] , [land] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2022 in [geboorteplaats 1] , [land] ;
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2025 in [geboorteplaats 2] .
2.3
Partijen oefenen het gezamenlijk gezag uit over de kinderen.
2.4
De vader en de moeder wonen met de kinderen in bij de ouders van de vader. De moeder heeft samen met de kinderen op 5 februari 2026 die woning verlaten en verblijft nu op een geheime opvanglocatie. Zij ontvangt daarbij hulpverlening vanuit KesslerPerspektief. De vader heeft sindsdien geen contact meer gehad met de kinderen en de moeder.
2.5
De moeder heeft op 5 februari 2026 aangifte tegen de vader gedaan van mishandeling en huiselijk geweld.
2.6
Veilig Thuis heeft een melding ontvangen en zal een onderzoek gaan instellen naar het gezin.
2.7
De vader staat momenteel ingeschreven bij het Daklozenloket. Er is een Wmo-advies opgesteld waaruit blijkt dat er op diverse leefgebieden problemen zijn.

3.Het geschil

3.1
De vader vordert – zakelijk weergegeven – dat de moeder wordt veroordeeld om mee te werken aan een voorlopige zorgregeling waarbij de kinderen ieder weekend van vrijdagavond tot en met zondagavond bij de vader zullen verblijven, op straffe van een dwangsom.
3.2
De moeder voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1
Vaststaat dat de moeder aangifte heeft gedaan van huiselijk geweld. Uit de brief van Veilig Thuis volgt dat zij meldingen hebben gekregen met veiligheidszorgen en dat zij zo snel als mogelijk een onderzoek zullen gaan starten. De moeder maakt zich veel zorgen om de veiligheid van de kinderen en wil daarom niet dat er een onbegeleide zorgregeling wordt vastgesteld. De vader ontkent dat hij huiselijk geweld heeft gepleegd. Volgens hem is de moeder uit het niets uit de woning vertrokken met medeneming van de kinderen, en tot op heden heeft hij geen idee waar zij verblijven. Inmiddels heeft hij de kinderen al bijna twee maanden niet gezien en hij mist ze heel erg.
4.2
De voorzieningenrechter is van oordeel dat bij de huidige stand van zaken onbegeleid contact niet mogelijk is. Partijen hebben beiden een andere visie op de gebeurtenissen van de afgelopen periode en staan daarbij lijnrecht tegenover elkaar. Alhoewel nog niet vaststaat wat er precies is gebeurd, is wel duidelijk dat er op veel gebieden problemen zijn, zoals ook blijkt uit het Wmo-advies. Dat maakt dat voorzichtigheid te meer is geboden. De voorzieningenrechter overweegt daarbij dat de kinderen nog erg jong zijn en het van belang is dat contactherstel met de vader weliswaar zo snel mogelijk dient plaats te vinden, maar dat daarbij essentieel is dat dat contact veilig en onbelast kan plaatsvinden.
4.3
Op de zitting is daarom samen met de raadsvertegenwoordiger met partijen gesproken over een verwijzing naar Omgangsbegeleiding. Beide ouders hebben de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het hulpverleningstraject Omgangsbegeleiding. De voorzieningenrechter zal partijen in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie.
4.4
Omdat dit vonnis in kort geding een eindbeslissing is, kan een (eind)rapportage over het verloop van het traject niet in deze procedure worden ingediend. Wel is aannemelijk dat er op korte termijn door de moeder en/of de vader een bodemprocedure bij de rechtbank zal worden gestart, die verband houdt met het uiteengaan van partijen. Het is aan de partij die de bodemprocedure start om het nummer van die procedure bij de hulpverleningsinstantie onder de aandacht te brengen. Zo kan de eindrapportage in de bodemprocedure worden ingebracht.
4.5
In de omstandigheid dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1
stelt vast dat partijen, te weten:
[eiser] (de vader),
wonende aan de [adres] ,
en
[gedaagde] (de moeder)
wonende op een geheim adres,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Omgangsbegeleiding en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van dit vonnis te zenden naar:
Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
stelt vast dat de ouders bij eindbeslissing zijn verwezen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject;
5.2
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.
AIK